Wikisage, de vrije encyclopedie van de tweede generatie, is digitaal erfgoed

Wikisage is op 1 na de grootste internet-encyclopedie in het Nederlands. Iedereen kan de hier verzamelde kennis gratis gebruiken, zonder storende advertenties. De Koninklijke Bibliotheek van Nederland heeft Wikisage in 2018 aangemerkt als digitaal erfgoed.

  • Wilt u meehelpen om Wikisage te laten groeien? Maak dan een account aan. U bent van harte welkom. Zie: Portaal:Gebruikers.
  • Bent u blij met Wikisage, of wilt u juist meer? Dan stellen we een bescheiden donatie om de kosten te bestrijden zeer op prijs. Zie: Portaal:Donaties.

Canonvorming van het Nieuwe Testament

Uit Wikisage
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Christendom
512px-ChristianitySymbol svg.png
(symbool van het christendom.)
..Pijlers
..Christelijke feesten
..Geschiedenis en tradities
..Onderwerpen
..Belangrijke personen
Hoofdartikel.png Zie ook het artikel Canon van de Bijbel

De canonvorming van het Nieuwe Testament is het proces dat uiteindelijk leidde tot de officiële vaststelling van de inhoud van het Nieuwe Testament. Reeds aan het eind van de tweede eeuw waren een reeks geschriften in gebruik die niet veel verschilde van de bijbelboeken die tot op heden in de canon van het Nieuwe Testament zijn opgenomen. De definitieve officiële canonisering vond echter plaats in de tweede helft van de vierde eeuw.

Om inzicht te krijgen in de manier waarop de canon van de Bijbel werd gevormd, is het noodzakelijk om ook te begrijpen hoe de afzonderlijke werken die deze canon vormen zijn ontstaan. Dit geldt vooral voor de evangeliën.

Ontstaan

Volgens de christelijke traditie zijn de evangeliën en brieven in de eerste eeuw geschreven. Tijdens het optreden van Jezus waren er veel ooggetuigen. Sommigen maakten waarschijnlijk aantekeningen van de gebeurtenissen, mogelijk op potscherven (ostraka), namelijk over de parabels en wonderen van Jezus tot en met de kruisiging en opstanding.[1] Nadat de christelijke gemeente met Pinksteren werd gesticht, gebeurde de prediking van de apostelen en andere evangeliepredikers aanvankelijk mondeling. Toen er in het Romeinse Rijk verscheidene gemeenten waren gesticht, rezen er al snel problemen en onenigheden in deze nieuwe gemeenschappen van christenen. De apostelen, onder wie Paulus en Petrus, probeerden de moeilijkheden op te lossen door brieven naar deze gemeenten te schrijven. Omdat dat deze brieven ook voor andere gemeenten nuttig konden zijn, behoorden deze brieven rond de jaren 50 en 60 tot de eerste geschriften die verzameld en gekopieerd werden. Rond dezelfde tijd werden er door medewerkers van de apostelen, zoals Lucas, Marcus en Matteüs, schriftelijke verslagen verzameld en bewerkt en ooggetuigen ondervraagd over het leven en de leringen van Jezus. Dit werden de evangeliën. Ook deze werden gekopieerd en verdeeld over de diverse christelijke gemeenten. Het laatst is het evangelie en de brieven van Johannes geschreven tussen ongeveer 70 en 90.[2][3]

Evangeliën

De vier Evangeliën bevatten beschrijvingen van het leven van Jezus Christus. Bij een vergelijking van deze evangeliën valt op dat het Evangelie volgens Johannes sterk afwijkt van de drie andere. De evangeliën van Mattheüs, Marcus en Lucas bevatten veel beschrijvingen die in grote lijnen en soms zelfs woordelijk overeenkomen en worden daarom synoptische evangeliën genoemd. Deze overeenkomst wordt als volgt verklaard:

Synoptische evangeliën

Jezus leefde in Judea, een streek met een sterke orale traditie. Dat wil zeggen dat ooggetuigen van zijn leven nieuwe volgelingen mondeling vertelden over zijn leven en daden. Aangezien de vroegste christenen een spoedige wederkomst verwachtten, voelden zij geen behoefte een biografie van hun leider te schrijven. Zij bleven eenvoudig in Jeruzalem, wachtten op de wederkomst van Jezus en probeerden in de tussenliggende periode anderen ervan te overtuigen dat Jezus de Messias was door verhalen te vertellen over wat hij had gezegd en gedaan. Positief gesteld was dit een gebruikelijke manier om gegevens over Jezus' leven te bewaren. Deze vorm was echter vooral geschikt om Jezus' volgelingen te helpen bij hun verschillende handelingen. Negatief gesteld werden Jezus' woorden en daden uit hun context gehaald (Jezus' feitelijke leven en bediening) en geplaatst in een heel andere context (de prediking en leer van de discipelen).

De jaren verstreken en Jezus kwam niet terug. Op enig moment werden passages die regelmatig van pas kwamen bij het evangelisatiewerk opgeschreven. Sommige daarvan werden op onderwerp samengevoegd. Deze (nog altijd korte) passages worden perikopen genoemd. Dit zijn de bouwstenen van de synoptische evangeliën. Met de groei en verspreiding van het vroege christendom groeiden ook deze perikopen en begonnen deze onderling te verschillen. Op een verder punt in de tijd werden deze perikopen samengevoegd tot proto-evangeliën. Deze term duidt werken aan die redelijk afgeronde verhalen inzake Jezus' leven beschreven, een serie perikopen, maar nog niet het volledige verhaal.

Uiteindelijk werd het eerste evangelie geschreven. Vele onderzoekers denken nu dat dit Marcus was, kort na 60. Tussen 70 en 90 werden ook Matteüs en Lucas geschreven.[4] Een belangrijke theorie is dat deze evangeliën zich (ook) baseerden op een gezamenlijke bron, de zogenaamde bron Q.

Volgens E.P. Sanders en M. Davies toont het beschikbare materiaal aan dat de evangeliën anoniem werden geschreven en zonder toeschrijving aan een auteur bleven tot het midden van de tweede eeuw.[5]

Evangelie volgens Johannes

Zowel de verhaallijn als de aan Jezus toegeschreven uitspraken in Johannes verschillen sterk van de synoptische evangeliën:

  • De synoptische evangeliën verhalen veelvuldig van exorcisme, Johannes niet één keer.
  • In de synoptische evangeliën weigert Jezus een „teken” van zijn autoriteit te verschaffen[6], terwijl dit in Johannes juist één van de opvallende kenmerken is.[7]
  • Het kernthema van de synoptische evangeliën is Gods Koninkrijk, terwijl dit in Johannes slechts één keer voorkomt in 3:3-5.
  • Een wezenlijk verschil tussen de synoptische evangeliën en Johannes is het verschil in stijl. Waar de synoptische evangeliën metaforen gebruiken, bijvoorbeeld: „Gods Koninkrijk is als...”, gebruikt Johannes vele parabolen, bijvoorbeeld „ik ben” (zoals in 6:35 en 15:1) en „zij zijt / jullie zijn”.
  • De bediening van Jezus lijkt zich in de synoptische evangeliën binnen twaalf maanden af te spelen, terwijl in Johannes deze minimaal twee jaar duurde.
  • Johannes plaatst het merendeel van Jezus’ leven in Judea, de synoptische evangeliën in Galilea.
  • In de synoptische evangeliën is de „zuivering van de Tempel” de voornaamste reden voor Jezus’ executie, terwijl deze in Johannes aan het begin van zijn bediening wordt geplaatst, zonder opvallende gevolgen.[8]
  • In de synoptische evangeliën is het proces tegen Jezus formeel, voor het Sanhedrin, getuigen worden verhoord, Jezus wordt verhoord en de hogepriester formuleert een officiële aanklacht. In Johannes (18:12-40) wordt Jezus privé verhoord door Annas en Kajafas (de dienstdoende hogepriester), zonder formele aanklacht of getuigenverhoor.

De verschillen zijn zo groot dat het volgens de moderne strekking in de bijbelwetenschap onmogelijk is om aan te nemen dat er twee tradities waren, waarbij iedere traditie 50 procent weergaf van wat Jezus zei, vrijwel zonder overlap. In de afgelopen 150 jaar vonden onderzoekers veelal dat ze moesten kiezen. Zij gingen aannemen dat de leringen van de historische Jezus moet worden gezocht in de synoptische evangeliën en dat in Johannes een vroege, doorgewerkte theologie kan worden aangetroffen, waarin overpeinzingen worden aangetroffen over de persoon en het werk van Christus, weergegeven in de eerste persoon, alsof Jezus ze zo heeft gezegd.

Andere evangeliën

Bovenstaande secties concentreren zich op de evangeliën die in de canon van het Nieuwe Testament werden opgenomen. Andere geschriften, met name uit de tweede en derde eeuw, die in de stijl van evangeliën zijn opgesteld, bijvoorbeeld gnostische evangeliën, wijken leerstellig vaak sterk af van de synoptische evangeliën en Johannes. Zij werden dan ook niet als authentiek aanvaard.

Dit is slechts een greep uit de thans bekende evangeliën. Het is niet onwaarschijnlijk dat er tussen 50 en 300 honderden werden geschreven. Sommige daarvan maken ontegenzeggelijk gebruik van dezelfde perikopen als de synoptische evangeliën, zoals het Evangelie van Thomas. Andere voegen zich meer in de traditie van Johannes of heel andere tradities.

Brieven

Net als evangeliën circuleerden er vanaf ongeveer 100 talloze "brieven" die – al dan niet terecht – werden toegeschreven aan apostelen, zoals Paulus en Petrus, maar ook van Jakobus, Judas en Brief van Barnabas. Reeds vroeg was er discussie over het auteurschap van de Brief aan de Hebreeën.

Apocalyps (Openbaring) van Johannes

Apocalyptiek is een typisch verschijnsel uit de joodse religieuze literatuur. Binnen deze traditie circuleerden vanaf ongeveer 100 ook diverse apocalypsen, waarvan enkel de Openbaring van Johannes als canoniek werd erkend.

Marcion

Marcion was een gnostische schrijver aan het begin van de tweede eeuw. Hij propageerde de mening dat het „ware evangelie” was vertroebeld, dus produceerde hij een „gezuiverde” tekst van Lucas en presenteerde dit als het juiste evangelie. Naast dit ene evangelie koos Marcion tien (wederom „gezuiverde”) brieven van Paulus uit als „canoniek”. De Hebreeuwse Bijbel verwierp hij volledig. Dit was zijn „Bijbel”. In zekere zin trof deze actie van Marcion de christelijke gemeenschap als donderslag bij heldere hemel. Er was eenvoudig nooit een vraag geweest over het al dan niet terechte gezag van evangeliën, brieven of openbaringen. Door de actie van Marcion werd het dringend noodzakelijk vast te stellen welke werken „juist” waren en welke vervalsingen of op andere wijze onwaardig in de kerken gebruikt te worden. We kunnen ons van dit proces alleen een voorstelling maken door de brieven te lezen die de „kerkvaders” schreven en ontvingen.

Na Marcion

Rond 155 meldde Justinus het bestaan van vier evangeliën. Tussen 170 en 180 combineerde Tatianus in zijn Diatessaron de stof van de vier evangeliën tot een geheel. In deze periode werden de andere geschriften van het Nieuwe Testament ook al genoemd. Tussen 150 en 180 bestond dus een verzameling van nieuwtestamentische geschriften met apostolisch gezag. De samenstelling verschilde per kerk. Vanaf 180 verschijnen de evangeliën plotseling met verwijzing naar de naam van de (toegeschreven) auteur. Rond 180 noemde Theophilus van Antiochië dertien brieven van Paulus.

In de jaren die volgen begint meer overeenstemming te ontstaan over de canon. Irenaeus erkent rond 185 alle boeken van het Nieuwe Testament met uitzondering van Hebreeën, Filemon, Judas, 2 Johannes en 3 Johannes. Hippolytus van Rome erkent rond 200 dezelfde boeken als Irenaeus. Er is een document gevonden, de 'Canon Muratori', gedateerd rond 170, met een lijst van boeken van het Nieuwe Testament. Deze lijst bevat alle boeken, met uitzondering van Hebreeën, 1 Petrus, 2 Petrus en 3 Johannes. Tertullianus erkent rond 200 alle boeken, behalve Hebreeën, Jakobus en 2 Petrus. Clemens van Alexandrië erkent in diezelfde tijd alle boeken van het Nieuwe Testament, maar daarnaast ook apocriefe en heidense geschriften. In zijn omgeving was kennelijk nog geen duidelijke canon. In de grotere kerken was alleen nog onduidelijkheid over Hebreeën, Jakobus en 2 Petrus. Canoniciteit werd bepaald aan de hand van veronderstelde apostolische oorsprong, gebruik in de officiële liturgie en overeenstemming met de apostolische traditie. De boeken die pretendeerden onderdeel te zijn van het Nieuwe Testament, toegeschreven werden aan een apostel en in de eerste eeuwen tot stand waren gekomen, maar om uiteenlopende redenen niet opgenomen werden in de canon, heten apocriefen. Geschriften die in de canon werden opgenomen, maar die niet volledig teruggaan op de apostelen worden pseudepigrafen genoemd. Vanaf 210 ontstaat er discussie over Hebreeën, Jakobus, Judas, 2 Petrus, 2 en 3 Johannes en Openbaring. Deze boeken werden door sommigen niet als geïnspireerd aanvaard.

De Griekse kerk

In de Griekse kerk twijfelde men vooral aan Jakobus, Judas, 2 Petrus, 2 en 3 Johannes en Openbaring. Origenes beschouwde Hebreeën, Jakobus, Judas, 2 Petrus en 2 en 3 Johannes als geïnspireerd, maar niet algemeen aanvaard. De overige boeken, dus ook Openbaring, beschouwt hij wel als algemeen aanvaard. In de strijd tegen het millennarisme trok Dionysios de apostolische oorsprong van Openbaring in twijfel. Eusebius van Caesarea maakte ook onderscheid tussen algemeen aanvaarde en door de meesten aanvaarde boeken. Hoewel daar nogal wat twijfel over was, beschouwde hij Openbaring ook als algemeen aanvaard.

In zijn Paasbrief van 367 noemde Athanasius alle boeken van het huidige Nieuwe Testament, zonder enig onderscheid. Met uitzondering van Openbaring kregen de boeken al snel algemene erkenning. De discussies over Openbaring duurden nog enkele eeuwen, totdat de canoniciteit ervan onder invloed van het westen langzaamaan werd erkend.

De Syrische kerk

Binnen de Griekssprekende Syrische kerk ging de canonvorming ongeveer op dezelfde manier als in de andere Griekse kerken. Lucianus van Antiochië[9] ontkende de canoniciteit van Openbaring. Uiteindelijk was het Johannes van Damascus die in de achtste eeuw de complete canon erkende.

In de Oost-Syrische kerk, waar men Syrisch sprak, was de Diatessaron van Tatianus nog tot de vijfde eeuw het officiële evangelie. Toen werd de nieuwe Syrische bijbelvertaling, de Pesjitta, in gebruik genomen. Deze bevatte de boeken van het Nieuwe Testament, met uitzondering van Judas, 2 Petrus, 2 en 3 Johannes en Openbaring. Halverwege de vijfde eeuw scheurde de Syrische kerk in tweeën. Een deel volgde Nestorius en vormde de Oost-Syrische of Nestoriaanse Kerk, de rest werd miofysitisch onder leiding van Jacobus Baradaeus en vormde de Syrisch-orthodoxe Kerk van Antiochië, die ook Jacobieten werden genoemd. De Nestorianen bleven de onvolledige canon gebruiken, terwijl de Jacobieten alle boeken erkenden.

De Latijnse kerk

In de Latijnse kerk zijn lang twijfels geweest over de canoniciteit van Hebreeën, 2 Petrus, 2 en 3 Johannes, Jakobus en Judas. Rond 250 erkende Novatianus alle boeken behalve deze zes en 1 Petrus. Cyprianus erkende 1 Petrus wel, maar de zes genoemde boeken niet. De canon van Cheltenham, van rond 360, erkent alle boeken, behalve Hebreeën, Jakobus en Judas.

De twijfels gingen vooral over de apostoliciteit van de brieven. Onder invloed van de Griekse kerk werden ze echter uiteindelijk erkend. Hilarius van Poitiers erkende voor 367 de volledige canon. Zo ook Ambrosius van Milaan, Hiëronymus en Augustinus in de loop van de vierde eeuw. Tijdens het derde concilie van Carthago in 397, werd de canon officieel door de Latijnse kerk vastgelegd.

Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen, noten en/of referenties:

  • (en) H. von Campenhausen (1972): The Formation of the Christian Bible, Sigler Press, Mifflintown (ISBN 1-888961-02-3)
  • F. van Segbroeck: Het Nieuwe Testament leren lezen
  • Prof. Dr. Frederic Fyve Bruce (1977): De betrouwbaarheid van de geschriften van het Nieuwe Testament, Uitgever Internationale Bijbelbond - Telos Nederland (ISBN 90 324 9501 1) - Vertaling van (1946): Are the New Testament documents reliable?
  • De canon van het Nieuwe Testament door F.F. Bruce (volledige Nederlandse online-versie)
  • A. S. van der Woude: Bijbels Handboek
  • J. van Bruggen: Het kompas van het christendom: ontstaan en betekenis van een omstreden Bijbel
  • W.J.J. Glashouwer en W.J. Ouweneel: Het ontstaan van de Bijbel
  • G. van den Brink: Van koinè tot canon: de overlevering van het Nieuwe Testament
  1. º Zie verder hierover ook Bron Q
  2. º Ernst Aebi, Korte inleiding tot de bijbelboeken, internationale bijbelbond 1978, ISBN 9032395629
  3. º Prof. Dr. Frederic Fyve Bruce, De betrouwbaarheid van de geschriften van het Nieuwe Testament, Uitgever Internationale Bijbelbond - Telos Nederland 1977 (ISBN 90 324 9501 1); vertaling van: Are the New Testament documents reliable?, 1946.
  4. º Over de datering van de synoptische evangeliën, zie E.P. Sanders en M. Davies (1989): Studying the Synoptic Gospels, blz. 5-21
  5. º E. P. Sanders en M. Davies (1989): Studying the Synoptic Gospels, blz. 7-15, 21-24
  6. º Zie bijvoorbeeld Marcus 8:11 e.v.
  7. º Zie bijvoorbeeld Johannes 2:11, 23; 3:2; 4:48, 54; 6:2, 14; 7:31; 9:16; 11:47; 12:8, 37; 20:30
  8. º Johannes 2:13-22
  9. º newadvent.org