Wikisage, de vrije encyclopedie van de tweede generatie, is digitaal erfgoed

Wikisage is op 1 na de grootste internet-encyclopedie in het Nederlands. Iedereen kan de hier verzamelde kennis gratis gebruiken, zonder storende advertenties. De Koninklijke Bibliotheek van Nederland heeft Wikisage in 2018 aangemerkt als digitaal erfgoed.

  • Wilt u meehelpen om Wikisage te laten groeien? Maak dan een account aan. U bent van harte welkom. Zie: Portaal:Gebruikers.
  • Bent u blij met Wikisage, of wilt u juist meer? Dan stellen we een bescheiden donatie om de kosten te bestrijden zeer op prijs. Zie: Portaal:Donaties.

Egyptische kalender

Uit Wikisage
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Astronomische kalender op het plafond van graftombe van de beroemde architect Senenmut.

De Egyptische kalender die in het Oude Egypte in gebruik was, telde twaalf maanden van elk dertig dagen. Deze waren ingedeeld in drie seizoenen van vier maanden. Aan deze 360 dagen werden nog vijf dagen toegevoegd, zodat het kalenderjaar in totaal 365 dagen telde. Aangezien geen schrikkeldag werd toegevoegd, behield het jaar een constante lengte van 365 dagen, maar verschoof het door zonnejaar.

Geschiedenis

Lunisolair systeem

Aanvankelijk had men in Egypte een maanjaar. De jaarlijkse overstromingen van de Nijl waren voor de agrarische gemeenschap in Egypte van levensbelang: de kwaliteit van de landbouwgewassen was ervan afhankelijk. Te weinig overstroming zou tot hongersnood kunnen leiden; een te hoge overstroming is verwoestend. Het water begon te stijgen korte tijd na de zomerzonnewende en de hiermee bijna samenvallende heliakische opgang van de ster Sothis (Sirius) aan de Egyptische hemel. Om de maankalender in gelijke tred te houden met de lengte van het zonnejaar en de heliakische opgang van Sirius, moest ongeveer om de drie jaar een schrikkelmaand worden toegevoegd.

Jaar van 365 dagen

Mogelijk door het aantal dagen te tellen tussen twee heliakische opgangen van Sirius, stelde men vast dat de lengte van het jaar 365 dagen bedroeg. De nadelen van een jaar met een wisselende lengte van nu eens twaalf, dan weer feiten maanden, kan hebben meegespeeld om vanuit deze informatie een kalendersysteem te ontwerpen, dat nog twaalf maanden had zoals een maankalender, maar dat was losgekoppeld van de lente van de maanmaanden. In deze kalender had elk jaar dezelfde lengte van 365 dagen. De maanden hadden een regelmatige kalender van 30 dagen, een op het einde van het jaar volgden vijf toegevoegde dagen. Men heeft redenen om aan te nemen dat dit systeem tussen ca. 2937 en ca. 2821 v.Chr. in gebruik kwam als burgerlijke standaardkalender.[1]

Toen deze kalender in gebruik werd genomen, correspondeerde de eerste dag van het seizoen Akhet met het begin van de jaarlijkse overstromingen. Maar omdat het jaar van deze burgerlijke kalender van 365 dagen iets korter is dan het zonnejaar van ongeveer 365 dagen en 6 uur, ging het verschuiven ten opzichte van het verschijnen van Sirius. Deze ster heette Sopdet, wat volgens Plutarchus zwangere vrouw betekent. De naam werd later in het Grieks overgenomen als Sothis.

Sothisperiode

Na een periode van 1460 jaar viel de burgerlijke kalender weer op dezelfde dagen van het zonnejaar als voordien. De heliakische opgang van Sothis, die als het Sothisfeest gevierd werd, viel opnieuw op de eerste dag van het seizoen Akhet. Deze periode van 1460 jaar wordt een Sothisperiode genoemd. In de Egyptische geschiedenis wordt een aantal keer de burgerlijke datum vermeld waarop het Sothisfeest toen viel. Dit helpt de chronologen om ijkpunten of absolute data vast te stellen voor de chronologie van het Oude Egypte.

Nog voor Champollion de hiërogliefen ontcijferde, waren historici op de hoogte van het bestaan ​​van deze periode van 1460 jaar. In 238 n.Chr. schreef Censorinus dat in het jaar 139 n.Chr., de datum van de opkomst van Sirius op de „eerste Thoth”, die overeen kwam met VII Kal. Jul. (= 25 juni) viel en dat toen de periode begon die hij het „Grote Jaar” noemde.[2] Daarvan kan men afleiden wanneer deze data de vorige keer overeenkwamen: 1460 jaar teruggeteld vanaf 139 n.Chr. komt op het jaar 1321 v.Chr. De astronoom Theon van Smyrna schreef in de vierde eeuw dat er 1605 jaren waren vanaf farao Menophres tot het begin van Diocletianus’ regering (284). Door 1605 terug te tellen vanaf 284, komt men in 1321 v.Chr., wat Theon aangeeft als het begin een Sothische periode en de gegevens van Censorinus bevestigd.

Vervolgens werd deze periode op andere documenten opgemerkt:

  • het decreet van Canopus, ontdekt in 1865 door Lepsius en bestudeerd door Parker, stelt dat in het jaar 9 van Ptolemaeus III Euergetes, dus 238 v.Chr., de opgang van Sothis op de eerste dag van de tweede maand van de maand šmw (Shemu) viel.
  • Op de achterkant van de geneeskundige papyrus Ebers staat een kalender met de Sothisdatum en een lijst van feesten.

Naar een schrikkeldagsysteem

Hoewel de Egyptenaren wisten dat de kalender verschoof ten opzichte van de seizoenen, zou het eeuwen duren voor men de kalender zou aanpassen met een schrikkeldagregeling.

Pas onder de regering van Ptolemaios III werd er in het jaar 237 v.Chr., gebaseerd op de berekeningen van de astronoom en wiskundige Aristarchus van Samos, een schrikkeldag aan de officiële administratieve kalender toegevoegd als zesde Heriu-renpet-dag. Beide kalenders (de kalender met steeds 365 dagen in een jaar en de kalender met elk vierde jaar een schrikkeldag) bleven naast elkaar in gebruik. Na de dood van Ptolemaios III werd het gebruik van de schrikkeljaren in de officiële kalender Egyptische administratie stopgezet.

Pas keizer Augustus zou in het jaar 26 v.Chr. de kalenderhervorming van Ptolemaios III weer invoeren, om zo de (aangepaste) Egyptische en de juliaanse kalender kalender in gelijke tred te laten lopen.[Noot 1]

Deze aangepaste kalenderversie met schrikkeljaren kwam bekend te staan als de Koptische kalender.

Hoewel de Egyptenaren vrij vroeg de astronomische kalender verlieten voor een burgerlijke kalender, hadden zij wel degelijk belangstelling voor de astronomie. De oudst bekende hemelkaarten zijn Egyptisch. ZIj hadden een grondige kennis van astronomische verschijnselen, gebaseerd op de dagelijkse en methodische observatie van de sterren.

Griekse astronomen ontleenden hun burgerlijke kalender van de Egyptenaren en gebruikten deze tot in de late middeleeuwen.

Drie seizoenen

Voorstelling van de Egyptische kalender uit de Kom Ombo-tempel.
Akhet

(overstroming)

Peret

(zaaitijd)

Shemu

(oogsttijd)

maand 1 Thoth Tybi Pachon
maand 2 Paophi Mechir Payni
maand 3 Hathyr Phamenoth Epiphi
maand 4 Choiakh Pharmuti Mesori

Toegevoegde dagen

De vijf ’toegevoegde’ dagen, Heriu-renpet of epagomenae, kwamen aan het einde van het kalenderjaar tussen de laatste dag van het seizoen Shemu en de eerste dag van het seizoen Akhet. De epagomenae werden beschouwd als de geboortedagen van de grote Egyptische goden. Een mythe vertelde dat deze dagen speciaal aan het jaar werden toegevoegd om deze geboortes mogelijk te maken. Ze werden echter als ongeluksdagen beschouwd. Vooral op de geboortedag van Seth kon men maar beter niets ondernemen. De geboortedagen van de goden waren:

  • dag 1
Osiris
  • dag 2
Horus de Oudere
  • dag 3
Seth
  • dag 4
Isis
  • dag 5
Nephthys

Deze vijf dagen samen vormden een korte dertiende maand. Het was een ongelukkige periode, omdat het Nijlwater op zijn allerlaagste peil stond, wat insectenplagen meebracht die zich samen met de koude noordenwind verplaatsten. Bovendien verkeerde iedere weldenkende Egyptenaar in bange afwachting of de ster Sopdet wel terug zou verschijnen en aldus de komst van de nieuwe vruchtbare Nijlvloed aankondigen. Het bijgeloof rond het ongeluksgetal 13 zou volgens sommigen hiervan afkomstig zijn.

Noten

  1. º Het exacte jaar van de kalenderomstelling is niet bewaard in een bron uit die tijd. Daarom werden de jaren 30 v.Chr. en 26 v.Chr. gezien als de jaren waarin deze werd ingevoerd. Enkel het jaar 26 v.Chr. schijnt overeen te komen met de astronomische berekening van de heliakische opgang van Sirius. Vgl. Jürgen Malitz: Die Kalenderreform Caesars. Ein Beitrag zur Geschichte seiner Spätzeit; in: Ancient Society 18 (1987), p. 103-131

Bronverwijzingen

Weblinks