Wikisage, de vrije encyclopedie van de tweede generatie, is digitaal erfgoed

Wikisage is op 1 na de grootste internet-encyclopedie in het Nederlands. Iedereen kan de hier verzamelde kennis gratis gebruiken, zonder storende advertenties. De Koninklijke Bibliotheek van Nederland heeft Wikisage in 2018 aangemerkt als digitaal erfgoed.

  • Wilt u meehelpen om Wikisage te laten groeien? Maak dan een account aan. U bent van harte welkom. Zie: Portaal:Gebruikers.
  • Bent u blij met Wikisage, of wilt u juist meer? Dan stellen we een bescheiden donatie om de kosten te bestrijden zeer op prijs. Zie: Portaal:Donaties.
rel=nofollow

Gouden Eeuw

Uit Wikisage
Versie door SjorsXY (overleg | bijdragen) op 15 sep 2010 om 09:46 (De Gouden Eeuw was een periode in de Nederlandse geschiedenis. ([http://nl.wikipedia.org/w/index.php?title=Gouden_Eeuw&oldid=22625410]))
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Zie ook : gouden eeuw (doorverwijzing), voor andere "gouden eeuwen".

Geschiedenis van Nederland

Tijdlijn
Bibliografie

..Naar overzeese gebiedsdelen
..Naar voormalige koloniën

De Gouden Eeuw was een periode in de Nederlandse geschiedenis, en dan met name van de noordelijke zeven Verenigde Provinciën, waarin de Nederlandse handel, wetenschap, kunst en militaire macht (vooral ter zee) een toppositie in de wereld innamen.

Deze periode komt ruwweg overeen met de 17e eeuw. Sommigen houden als beginpunt het jaar 1602 aan, het jaar waarin de VOC opgericht werd; anderen kiezen hiervoor het jaar 1609, het beginjaar van het Twaalfjarig Bestand. Tot het einde van de Dertigjarige en de Tachtigjarige Oorlog in 1648 groeide de economie vrijwel ongehinderd, waarna een periode van consolidatie aanbrak. Na het rampjaar 1672 begon een periode van relatieve economische neergang en was de Gouden Eeuw over haar hoogtepunt heen.

Dit artikel behandelt de sociale en culturele geschiedenis. Zie voor politieke gebeurtenissen ook Geschiedenis van Nederland en Tachtigjarige Oorlog (1568-1648).

Inleiding

Er zijn verschillende oorzaken aan te wijzen die hebben bijgedragen aan deze bloeiperiode in kunsten en wetenschappen.

Rijkdom

Nederland nam in de 17e eeuw een absolute toppositie in de wereldhandel in. De bloeiende handel leidde tot een grote en zeer rijke klasse van kooplieden. De nieuwe voorspoed leidde ook tot meer aandacht voor en sponsoring van beeldende kunsten, literatuur, wetenschappen en armenzorg[1].

Tolerantie

Volgens sommigen was Nederland een bijzonder tolerant land vanwege de internationale handel en de reformatie, die zou hebben bijgedragen aan een over het algemeen milde opstelling ten opzichte van andersdenkenden. Protestanten stellen dat de interpretatie van de Bijbel vooral een kwestie van het eigen geweten van ieder individu is, en verwerpen centrale dogma's en een klerikale hiërarchie om deze te bekrachtigen. Dat nam niet weg dat de gereformeerden in de Gouden Eeuw een machtspositie innamen gelegitimeerd door de Staat (Synode van Dordrecht) en het andersdenkende protestanten moeilijk of onmogelijk maakten volgens andere opvattingen religie te bedrijven.

Of het hier ging om de bijna spreekwoordelijke Nederlandse tolerantie (zie ook sectie religie hieronder) of om een vorm van onverschilligheid, in ieder geval maakte dit het buitenlanders makkelijk om naar de Lage Landen te reizen of zelfs te emigreren (vaak als vluchteling). De Nederlanders in de Gouden Eeuw bleken echter in bepaalde opzichten helemaal niet erg verdraagzaam, zoals ten opzichte van varianten op het 'officiële' gereformeerde geloof. De vrijzinnig georiënteerde doopsgezinden, remonstranten en mennonieten bijvoorbeeld werden vervolgd, kregen strenge beroepsverboden en moesten soms (in het geval van de strikt pacifistische mennonieten) zelfs emigreren (zoals naar Danzig en omstreken, en later naar de Wolga waar zij bekend werden als 'Wolga-Duitsers'). Joden in Nederland konden geen lid worden van de gilden, konden geen poorter worden en mochten niet trouwen met niet-Joden. Toch was er relatief veel vrijheid in de Nederlanden, en werd een aantal Nederlandse steden een sociale 'smeltkroes'.

Zelfbewustzijn

De uitkomst van de Nederlandse Opstand tegen Spanje, beter bekend als de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648), die vrijheid van godsdienst en economische en politieke zelfstandigheid als inzet had en als uitkomst een volledige onafhankelijkheid van de protestantse noordelijke provincies, zal zeker het nationale moreel gesterkt hebben. Reeds in 1609, toen Nederland en Spanje een wapenstilstand sloten die 12 jaar zou standhouden, was veel van dit alles bereikt.

Net als na de Franse Revolutie, om één ander voorbeeld te noemen, leidde politieke vrijheid tot vrijheid in andere domeinen van menselijk handelen en leidde deze ertoe dat men ook openstond voor nieuwe culturele en wetenschappelijke ideeën.

Leiding van bestuurders en geleerden

Aan het eind van de zestiende - en in zeventiende eeuw hebben de Nederlanden een aantal uiterst bekwame bestuurders gehad, zoals Johan van Oldenbarnevelt, Johan de Witt (tevens wiskundige op het gebied van levensverzekeringen), Cornelis de Graeff en Andries Bicker. Ook ontbrak het niet aan bekwame veldheren zoals Prins Maurits en Prins Frederik Hendrik en admiraals als Piet Hein, Maarten Tromp en vooral Michiel de Ruyter. Daarnaast waren er wetenschappers en bekwame vaklieden op allerlei terrein in de Nederlanden te vinden. Enkele grootheden en hun gebieden zijn Jan Pieterszoon Sweelinck (1562-1621) muziek, Hugo de Groot (1583-1645) volkenrecht en zeerecht, Louis de Geer (1587–1652) wapenfabricage en handel, Rembrandt van Rijn (1606-1669) schilderkunst, Franciscus Gomarus (1563-1641) en Jacobus Arminius1559 - 1609) theologie, Christiaan Huygens (1629-1695) wis-, natuur- en sterrenkunde, Simon Stevin (15481620) waterbouwkunde en rekenkunde, Jan Adriaanszoon Leeghwater(1575 - 1650) waterbouwkunde en Benedictus Spinoza (1632-1677) filosofie.

Koloniaal Rijk

Ook op militair vlak ging het de Republiek voor de wind. De Vereenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en de Nederlandse West-Indische Compagnie verkregen niet alleen het monopolie op handel in specerijen, ook beheersten hun schepen de wereldzeeën. Dit was zeer tegen de zin van Engeland, na-ijverig op de Hollandse positie.

Hoewel zij beiden tegen de Spanjaarden gevochten hadden tijdens de Tachtigjarige Oorlog stonden de twee landen lijnrecht tegenover elkaar wanneer de Republiek een enorm koloniaal rijk uitbouwde. Dit leidde tot de Nederlands-Engelse Oorlogen.

Handel en nijverheid

Gedurende een groot deel van de 17e eeuw domineerden Nederlanders, traditioneel kundige zeevaarders en talentvolle kaartenmakers, de wereldhandel, een positie die daarvoor in mindere mate was ingenomen door de Portugezen en de Spanjaarden, en die later zou overgaan in handen van de Engelsen, na een felle competitiestrijd die aanleiding zou geven tot enkele oorlogen (die vooral ter zee werden uitgevochten).

In 1602 werd als gezegd de Verenigde Oostindische Compagnie(VOC) gesticht. Deze onderneming kreeg het Nederlandse monopolie op handel met Azië en zou dit bijna twee eeuwen behouden. Het zou 's werelds grootste handelsonderneming van de 17e eeuw worden. Specerijen werden in grote hoeveelheden geïmporteerd en leverden grote winsten op, enerzijds door de grote inspanningen die geleverd moesten worden en de risico's waar deze mee gepaard gingen, anderzijds door de niet te verzadigen vraag naar deze producten (met specerijen kon de smaak van voedsel dat niet meer zo vers was gemaskeerd worden).

De VOC bestond overigens grotendeels van de handel binnen Azië. Toen de Engelsen de winstgevende opiumhandel tussen de papavervelden in Bengalen en de markten op Java en in China overnamen kon de VOC geen grote winsten meer maken.

In 1609 werd de Beurs van Amsterdam opgericht (een eeuw eerder dan de tegenhanger in Londen), die samen met de in hetzelfde jaar opgerichte Amsterdamsche Wisselbank van deze stad spoedig het financiële centrum van Europa zou maken.

De financiële infrastructuur van de Nederlanden was gunstig voor het vormen van een handelsnatie. Anders dan in andere landen, waar de adel de vermogens en het bestuur monopoliseerde en op de handel neerkeek, was er in Nederland veel kapitaal beschikbaar voor ondernemingen. De beurs, een vrij efficiënt bestuur, de bereidheid van de bankiers om risico's te nemen en een landsbestuur dat niet neerkeek op de handel maar die juist stimuleerde zorgden voor een voor Europa uniek investeringsklimaat.

Andere volken werden in deze tijd bestuurd door aristocraten die vooral in kastelen, jacht en oorlogen waren geïnteresseerd en hun land daarbij ruïneerden.

Holland domineerde ook de handel in bulkgoederen tussen Europese landen (waar ruim een eeuw tevoren de Hanzesteden nog een prominente rol hadden gespeeld). Geografische aspecten speelden hierbij ook een rol, enerzijds de gunstige ligging, op een kruispunt van oost-west en noord-zuid routes, anderzijds de uitstekende verbinding met een groot Duits achterland via de Rijn. Nederlandse handelaren verscheepten wijn en zout uit Frankrijk en Portugal naar de landen rond de Oostzee en keerden terug met vooral graan. Zweeds kruit, hout, ijzer en wapens, maar ook vele andere goederen die voor een deel weer naar landen rond de Middellandse Zee werden vervoerd.

Wie de scheepsbewegingen nagaat ziet dat de handel op de Oostzee het fundament van de welvaart was. De Koning van Denemarken, de man die de Sont controleerde was dan ook een belangrijke bondgenoot.

Ook het Nederlandse industriële potentieel nam toe. Scheepswerven en suikerraffinaderijen zijn daarvan goede voorbeelden. Dankzij de toepassing van de krukas in windmolens, voor het eerst in 1594, kon zeer veel hout nodig voor onder meer het bouwen van schepen gezaagd worden met houtzaagmolens. Dit bracht ook de houthandel met de oostzeelanden opgang.

De haringvangst was een zeer belangrijke bron van inkomsten. Naarmate meer land in productie werd genomen (deels door het inpolderen van een aantal meren) namen de graanproductie en veehouderij in belang toe.

Ook de prominente rol die Nederland zou gaan spelen in de slavenhandel was reeds in de maak. Handelsroutes voor slaven liepen in de 17e eeuw vooral via Elmina naar Brazilië en de Caribische eilanden.

Sociale structuur

Verstedelijking

De bijzondere positie die de Nederlanden in de 17e eeuw innamen is des te verwonderlijker als men bedenkt dat het aantal inwoners van de Verenigde Provinciën nooit boven de twee miljoen is uitgekomen. Een opvallend aspect van de noordelijke Lage Landen was de hoge graad van verstedelijking. Het merendeel van de inwoners leefde in het westen, in het gewest Holland (het huidige Noord- en Zuid-Holland). Daarvan leefde ongeveer de helft in een stad, in Holland met name in Amsterdam, Leiden, Haarlem en Delft, daarbuiten waren Middelburg en Utrecht de grootste steden. Deze verhouding tussen stedelingen en plattelandsbewoners was voor die tijd uitzonderlijk: in omringende landen woonde slechts vijftien tot twintig procent van de mensen in een stad.

Dit is des te opmerkelijker als men bedenkt dat ruim twee eeuwen eerder, aan het eind van de 14e eeuw, slechts drie steden in ditzelfde gebied niet veel meer dan 10.000 inwoners hadden, en dat de bevolking toen nog voornamelijk in het midden en oosten van het land woonde. De grote bevolkingsaanwas in het westen was mogelijk gemaakt door de waterbouwkundige werken, die vanaf de 13e eeuw op ongekende schaal zijn uitgevoerd, (in het hele land maar vooral in de westelijke kustprovincies): landaanwinst aan de kust, indijking van rivieren en inpoldering. Deze immense inspanningen vormden tevens door het grote en complexe bestuurlijke apparaat dat hiervoor nodig was een extra verklaring voor de hoge bestuurlijke organisatiegraad in de Nederlanden. Ook de geleidelijke overgang van graanbouw op veeteelt had een rol gespeeld bij de trek naar de steden. Naarmate meer graan werd geïmporteerd verschoof het accent naar de minder arbeidsintensieve veeteelt.

Rangen en standen

In de Nederlanden van de 17e eeuw werd sociale status vooral door inkomen bepaald. In dit opzicht verschilden de Nederlanden van naburige landen, waar sociale status nog grotendeels afgemeten werd aan afkomst, hetgeen tot de Franse Revolutie zo zou blijven. Er waren hier wel sociale klassen, maar op een nieuwe manier.

De aristocratie, of adel, had haar privileges grotendeels aan de steden verkocht, waar kooplieden en hun geld het voor het zeggen hadden. Bovendien was het aantal edelen in Nederland met land en macht, dus anders dan in naam, bijzonder laag in vergelijking tot omringende landen. Hiervoor zijn twee redenen aan te voeren: vanaf de 13e eeuw was het feodale stelsel in de Lage Landen in snel tempo afgebrokkeld. Veel horige boeren waren als vrij man naar het nieuw ontgonnen of ingepolderd land getrokken, waar zij pachter werden. Vanaf de 15e eeuw werd ook nog eens veel land door rijke kooplieden opgekocht, die dit weer in pacht uitgaven. In de 16e eeuw was het de bewuste politiek van de Habsburgse vorsten geweest om edelen in allerlei bestuurlijke functies te vervangen door de opkomende klasse van universitair geschoolde juristen, wier afhankelijkheid en daarmee loyaliteit hoger was.

De geestelijkheid had ook niet al te veel wereldse invloed: de katholieke kerk werd tot op zekere hoogte onderdrukt sinds het uitbreken van de Tachtigjarige Oorlog; de jonge protestantse kerk was verdeeld.

Hiermee is niet gezegd dat de aristocraten niet over sociale status beschikten. Integendeel, het ging er veeleer om dat rijke kooplieden zich bij de adel inkochten door landbezit te verwerven en zich een familiewapen en -zegel aan te meten. Ook mengden aristocraten zich met leden van andere klassen om op een hen passende manier in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. Hiertoe huwelijkten zij dochters uit aan rijke kooplieden, gingen zij zelf in de handel of aanvaardden zij een publiek of militair ambt om zo een salaris te verdienen. Ook kooplieden kregen interesse voor openbare ambten, aangezien deze hen grotere economische macht en meer prestige konden verschaffen.

Een universitaire opleiding werd allengs gezien als een opstap naar zo'n publieke functie. Rijke kooplieden en aristocraten zonden hun zoons op een zogeheten Grand Tour (Grote Reis) door Europa. Deze jongelui bezochten dan universiteiten in verschillende Europese hoofdsteden, vaak vergezeld door een privé-leraar, als het even kon een man van de wetenschap.

De hier beschreven vermenging van patriciërs en aristocraten kwam het meest voor in de tweede helft van de eeuw.

Direct onder de aristocraten en patriciërs stond de gegoede burgerij, die bestond uit protestantse geestelijken, juristen, artsen, industriëlen en hogere ambtenaren. Een lagere status was toebedeeld aan kleine zelfstandigen, gespecialiseerde handwerkslieden, administratief personeel en boeren. Nog een trede lager stonden geoefende arbeiders, huisbedienden en ander dienstverlenend personeel. Aan de voet van de piramide bevonden zich de 'paupers', door Karl Marx later het proletariaat genoemd: verarmd landvolk, waarvan velen hun geluk beproefden in de steden, als bedelaar of dagloner.

De armen- en ziekenzorg was in Nederland voor die tijd bijzonder goed geregeld. Deze waren in vorige eeuwen vooral een taak van gilden en van de katholieke kerk geweest. Na de reformatie nam de lokale overheid dit werk grotendeels over.

Omdat rijkdom, of het gebrek daaraan, zozeer iemands sociale status bepaalde waren de standen minder scherp afgebakend dan elders. Tenslotte kon het fortuin keren. Ook het calvinisme, dat nederigheid als een belangrijke deugd prijst, had daar veel mee te maken. Deze tendensen zijn opmerkelijk bestendig gebleken. De huidige Nederlandse samenleving, hoewel veel meer geseculariseerd, wordt door velen nog steeds als opmerkelijk egalitair gezien.

Cultuur

De Lage Landen maakten in de 17e eeuw een culturele ontwikkeling door die zich onderscheidde van omringende landen. Zo zou de barok weinig invloed doen gelden, op enige uitzonderingen na (met name dichter Joost van den Vondel). De overdadigheid van de barok paste niet bij de strengheid van de merendeels calvinistische bevolking.

De burgerij vormde de drijvende kracht achter de nieuwe ontwikkelingen, en dan met name in de westelijke provincies: eerst en vooral in Holland, in mindere mate in Zeeland en Utrecht. Waren het in andere landen vooral rijke aristocraten die beschermheer van de kunsten werden, in de Lage Landen was hun bescheiden aantal er debet aan dat deze rol overgenomen werd door rijke kooplieden en andere patriciërs.

Centra van culturele activiteit werden gevormd door schutterij en rederijkerskamers. De primaire taak van de schutterijen was het verdedigen van een stad in tijden van nood en het uitvoeren van politietaken, maar daarnaast vormden zij een ontmoetingsplaats voor mensen uit de gegoede middenklasse, die er met trots een prominente positie bekleedden, en er een behoorlijk bedrag voor over hadden om dit voor het nageslacht vast te laten leggen. De rederijkers vormden verenigingen (kamers) in de steden, die tot doel hadden literaire activiteiten te organiseren, zoals dicht- en toneelkunst en debatten, vaak in de vorm van wedstrijden. De steden waren trots op hun rederijkerskamer en ondersteunden deze.

Religie

Een meerderheid in de noordelijke provincies was inmiddels calvinist, of behoorde althans tot de Nederduits Gereformeerde Kerk (later Nederlandse Hervormde Kerk). Deze kerk was geen toonbeeld van eensgezindheid. In het begin van de 17e eeuw werd de Republiek verscheurd door bittere tegenstellingen tussen de 'preciezen' en de 'rekkelijken'. Laatstgenoemden, de remonstranten, geloofden niet in predestinatie (voorbeschikking tot hemel of hel, ongeacht iemands levenswandel) en pleitten voor vrijheid van geweten. Hun meer dogmatische tegenstanders, die zich contra-remonstranten noemden, wonnen het pleit bij de synode van Dordrecht. Het grote aantal vertakkingen binnen de Nederlandse protestantisme zal er wellicht toe bijgedragen hebben dat de onderlinge tegenstellingen na verloop van tijd afzwakten en daarmee de onderlinge verdraagzaamheid weer toenam. Na de Synode van Dordrecht komt er onder de behoudende Calvinistische predikers een beweging op gang tot verdere doorwerking en verbreiding van het Bijbelse ideaal in leer en leven in 'bevindelijke' zin. Deze stroming staat bekend als de Nadere Reformatie. De bekende hoogleraar Gisbertus Voetius was de grote man van deze stroming. Het beginpunt van deze ontwikkeling ligt in het boek van de Zeeuwse predikant Willem Teellinck uit 1647 Noodtwendigh Vertoogh. Het boek, circa 500 pagina's, bevat een omvangrijk program tot reformatie van het volksleven.

Ook het humanisme, dat in de 16e eeuw was opgekomen en dat in Desiderius Erasmus zo niet de geestelijk vader dan toch een belangrijk pleitbezorger had, had nog steeds veel invloed en droeg bij aan een klimaat van tolerantie.

Het viel niet mee om de genoemde tolerantie ook naar katholieken tentoon te spreiden. Religie had immers (naast politieke en economische motieven) een belangrijke rol gespeeld in de opstand tegen Spanje, de Tachtigjarige Oorlog. Met geld kon echter veel bereikt worden. Zo konden katholieken na betaling van steekpenningen gedaan krijgen dat het houden van een mis (in een schuilkerk) oogluikend werd toegestaan, maar openbare ambten waren voor hen onbereikbaar. Hetzelfde gold voor doopsgezinden en voor joden.

De relatief grote verdraagzaamheid was niet geheel van principiële aard; handelsbelangen en onverschilligheid speelden ook een rol. In ieder geval kwamen er grote aantallen mensen die in omringende landen om hun religie vervolgd werden, naar Nederland om daar in relatieve vrijheid te leven. Met name dienen de (vaak gefortuneerde) joodse kooplieden uit Portugal (de sefardim) vermeld te worden. Uit Frankrijk kwamen, na de intrekking van het Edict van Nantes in 1685 veel hugenoten en joden; velen van hen waren gespecialiseerde handwerkslieden en geleerden. Dat de tolerantie niet ongelimiteerd was ondervond filosoof Baruch Spinoza (1632-1677) - hij werd wegens zijn opvattingen door de Joodse gemeenschap uitgestoten. Wijselijk liet hij zijn controversiële Tractatus Theologico-Politicus anoniem in het Latijn verschijnen, en ook dat was niet zonder risico. Radicale vrijdenkers als Adriaen Koerbagh kregen ook van overheidswege met repressie te maken; hij eindigde zijn leven als dwangarbeider in het Amsterdamse Rasphuis.

Onderwijs

In vrijwel alle steden en grotere plaatsen in de Gouden Eeuw bestonden particuliere lagere scholen voor vijf- tot ongeveer tienjarigen en daarop was enige kwaliteitscontrole door de overheden in grotere steden. Hier leerden kinderen (tegen betaling) in ongeveer twee jaar lezen en rekenen, en eventueel na nog een jaar of twee schrijven. Daarna was er in de steden de mogelijkheid van de Latijnse school, waar schrijven, Latijn, oude geschiedenis en welsprekendheid werd onderwezen - geheel in het Latijn.

Universiteiten

De Universiteit van Leiden was in 1575 de eerste van de Noordelijke Nederlanden. Deze mocht worden opgericht als beloning van Willem van Oranje voor het Leids verzet tegen de Spanjaarden. Deze protestante staatsuniversiteit onderwees aanvankelijk alleen protestante theologie, welsprekendheid, oude geschiedenis, Latijn en Grieks en wiskunde. Omdat Leiden één van de eerste protestante universiteiten was, trok hij uit heel Noord-Europa (waar veel oorlogen heersten) protestante studenten. Er doceerden Europese beroemdheden als de Vlaamse humanist en geschiedschrijver Justus Lipsius, de Franse letterkundige Josephus Justus Scaliger, de jurist Hugo de Groot, de Vlaamse letterkundige Daniël Heinsius, de wiskundige Willebrord Snellius en Duitse linguïst Gerard Vossius, en de laat in de 17de eeuw geboren Nederlandse medicus en botanicus Herman Boerhaave. Bekend waren ook de theologen Franciscus Gomarus en diens tegenstander Jacobus Arminius, die een hooglopend conflict hadden dat uitliep op winst voor de harde, calvinistische 'Gomaristen' en vervolging van de zachtmoediger remonstrantse 'Arminianen'.

Er was vooral onderricht in filosofie en kennis van de klassieke Romeinse en Griekse geschiedenis. Daarnaast was er onderricht gegeven in de zeven vrije kunsten (grammatica van Latijn en Grieks, dialectica, retorica, aritmetica, geometria, musica, astronomia). Deze vakken werden op vrijwel elke universiteit in die tijd gegeven. Nieuw in Leiden was echter de schermschool. Het schermen diende een nauwkeurig wiskundig patroon te volgen. Simon Stevin stelde het lesprogramma op voor de "Duytsche Mathematique" - een ingenieursschool met wiskunde en toegepaste natuurkunde in het Nederlands voor landmeetkunde en vestingbouw, het enige vak in de volkstaal. Net als de schermles hadden deze vakken vooral een militaire betekenis. Ze kwamen tegemoet aan prins Maurits' behoefte aan kennis van beschietingstechnieken en vestingbouw in verband met de Tachtigjarige Oorlog tegen Spanje.

In de loop van de 17de eeuw volgde de oprichting van de protestantse universiteiten van Franeker (1585), Groningen (1614), Amsterdam (1632), Utrecht (1636) en Harderwijk (1648).

Wetenschap

De intellectuele ruimdenkendheid en verdraagzaamheid trok denkers aan van overal uit Europa. Met name de gerenommeerde universiteit van Leiden (in 1575 door de stadhouder Willem van Oranje gesticht, als dank voor de rol van Leiden in het verzet tegen Spanje - zie Leids Ontzet, 3 oktober 1574) werd een ontmoetingsplaats voor deze mensen. Zo leefde en werkte de Franse wis- en natuurkundige en filosoof René Descartes in Nederland van 1628 tot 1649, onder meer in Leiden. Een voorloper van de Verlichting was Pierre Bayle, die zich in Rotterdam vestigde.

Hollandse rechtsgeleerden waren vermaard om hun kennis van internationaal zeerecht en handelsrecht. Hugo de Groot (Hugo Grotius) legde de fundamenten voor het internationale recht. Hij ontwikkelde het concept van de Vrije Zeeën of Mare liberum, dat overigens fel bestreden werd door Engeland (zie: Engelse Scheepvaartwetten), dat in de loop van de 17e eeuw Hollands belangrijkste concurrent werd voor de heerschappij over de wereldzeeën. Ook formuleerde De Groot wetten, in zijn boek De iure belli ac pacis (Over oorlogs- en vredesrecht), voor het reguleren van conflicten tussen naties.

Christiaan Huygens was een beroemd wiskundige, natuurkundige en sterrenkundige. Hij vond het slingeruurwerk uit, waarmee de tijd nauwkeuriger kon worden gemeten. Aan de hand van zijn astronomische waarnemingen verklaarde hij de ringen van Saturnus. Hij bedacht de golftheorie van het licht en droeg veel bij aan mechanica. Twee soorten microscopen werden in Nederland ontdekt: de samengestelde microscoop door Zacharias Jansen en een afwijkend type met kraallens door Antoni van Leeuwenhoek. Met zijn systematische waarnemingen van micro-organismen legde van Leeuwenhoek de basis voor de celbiologie. Jan Swammerdam verbeterde de microscoop en ontdekte onder meer de rode bloedlichaampjes. De uitvinding van de telescoop wordt toegeschreven aan Hans Lippershey.

Belangrijke Nederlandse waterbouwkundige ingenieurs waren Simon Stevin, die tevens wiskundige was en het decimale stelsel voor breuken ontwierp, dat het mogelijk maakte met gebroken getallen veel sneller te rekenen. Jan Adriaanszoon Leeghwater (1575-1650) voerde diverse grote inpolderingsprojecten uit, zoals van de Beemster, ter bestrijding van overstromingen en om land te winnen.

Ook weer als gevolg van het tolerante klimaat maakten uitgeverijen (onder meer Elsevier) een grote bloeiperiode mee. Veel boeken over religie, filosofie en wetenschap die in andere landen controversieel werden gevonden werden daarom in Nederland gedrukt en heimelijk naar het buitenland uitgevoerd. Aldus werden de Lage Landen in de 17e eeuw allengs meer de uitgever van Europa. Toch heerste er een streng regiem ten opzichte van afwijkingen van de officiële gereformeerde leer, en hanteerden overheden, zoals Johan de Witt, de censuur.

Schilderkunst

Zoals reeds eerder vermeld was de clientèle van de Nederlandse kunstenaar zeer verschillende van die van hun buitenlandse collega's (zie ook sectie cultuur hierboven). Dit had invloed op de onderwerpen die men hier koos en de stijl van schilderen. Nog een verschil met het buitenland was dat veel doeken niet in opdracht vervaardigd werden, maar via veilingen en kunsthandelaren afgezet werden. Deze aanpak werkte specialisatie in de hand, waardoor de net niet briljante schilders zich op een thema van eigen keuze kon toeleggen en in dat genre toch konden excelleren.

Populaire genres waren:

Mengvormen van deze categorieën kwamen ook voor. Ook werden vaak allegorische voorstellingen afgebeeld, voorstellingen dus waarin objecten met een symbolische betekenis aan het hoofdonderwerp worden toegevoegd. Zo kon een stilleven bijvoorbeeld een schedel, een zandloper en een uitgedoofde kaars bevatten, elk een symbool van sterfelijkheid. Seizoenen werden vaak uitgebeeld door een menselijke activiteit af te beelden die typerend was voor die tijd van het jaar: schaatsen, zaaien, oogsten, etc. Afbeeldingen hadden ook vaak onder de oppervlakte een moralistische lading.

Historiestukken

Deze categorie omvat niet alleen schilderijen die werkelijke historische gebeurtenissen afbeelden, maar ook voorstellingen van Bijbelse, mythologische, literaire en allegorische voorstellingen. Minder dan in omringende landen, waar de adellijke of geestelijke opdrachtgevers vaak aanstuurden op het inboezemen van ontzag bij de kijker, schilderde men in Nederland grote, dramatische, historische of Bijbelse voorstellingen. In plaats daarvan legden schilders, met name in de noordelijke Nederlanden, zich toe op het beroeren van de kijker door hem of haar deelgenoot te maken van een tafereel van diepgaande intimiteit.

Zo zijn Rembrandt en Rubens representatieve voorbeelden van de grote verschillen in stijl tussen schilders uit de Republiek, de noordelijke provincies, enerzijds en Vlaanderen, de zuidelijke provincies, anderzijds.

Veel belangrijke Nederlandse schilders zijn geïnspireerd en beïnvloed, althans in hun beginjaren, door Italiaanse voorbeelden. Kopieën van Italiaanse meesterwerken circuleerden hier. Deze suggereerden bepaalde compositorische schema's. Ook de behandeling van licht en donker (chiaroscuro), waar de Nederlanders zelf absoluut meesters in zouden worden, was voor een deel terug te voeren op Italiaanse voorgangers, met name op Caravaggio. Ook trok men zelf naar Italië om de voorbeelden met eigen ogen te kunnen aanschouwen. Als een speciale schakel fungeerden de Utrechtse caravaggisten zoals Hendrick ter Brugghen, Dirck van Baburen en Gerard van Honthorst.

(Groeps-)portretten

Geschilderde portretten waren in de 17e eeuw in de Nederlanden zeer gewild. Rijke handelaren en patriciërs lieten zich graag afbeelden. Ook werden veel opdrachten geplaatst door de vooraanstaande leden van een schutterij of bestuursorgaan.

Vooral in de eerste helft van de eeuw waren portretten erg formeel, en strak van opbouw. Vaak zat een groep rond een tafel, en was ieders blik naar de toeschouwer gericht. Kledij werd zeer minutieus afgebeeld. Dit gold ook voor meubels en eventuele andere objecten, om zo de maatschappelijke positie van de geportretteerde te onderstrepen. Later in de eeuw werden groepstaferelen levendiger en de kleuren helderder.

Wetenschappers poseerden vaak gezeten tussen hun instrumentarium en studieobjecten. Artsen werden meermalen afgebeeld tijdens een 'anatomische les': gegroepeerd rond een lijk, terwijl een van hen college gaf. De beroemdste hiervan is de Anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp (1632, Mauritshuis, Den Haag).

Bestuursraden zagen zich graag afgebeeld rond een tafel, ernstig kijkend. De sobere donkere kledij benadrukte enerzijds hun gestrengheid en nederigheid, maar maakte door zorgvuldig gepenseelde verfijning en snit toch duidelijk dat zij niet tot de minsten behoorden. Families lieten zich graag vereeuwigen in hun luxueuze huizen.

Vooral in Amsterdam en Haarlem werden veel schuttersstukken vervaardigd. De opdrachtgevers poseerden als machtige, joyeuze, zwierige mannen van de wereld. Ook hier eerst weer veel gezelschappen die rond een tafel gezeten waren. Later werd de mise en scène dynamischer. Het bekendste schuttersstuk is De Schutterscompagnie van kapitein Frans Banning Cocq, beter bekend als De Nachtwacht (1642, Rijksmuseum, Amsterdam). In Amsterdam zouden de meeste schuttersstukken uiteindelijk in het bezit van de gemeente komen. Veel daarvan zijn nu onderdeel van de vaste collectie van het Amsterdams Historisch Museum. De Haarlemse schuttersstukken bevinden zich bijna allemaal in het Frans Hals Museum. Maar liefst 18 van de 20 bewaard gebleven Haarlemse schuttersportretten zijn daar te bewonderen. Vijf daarvan zijn vervaardigd door Frans Hals: kolossale doeken, die samen 68 individuele portretten tonen, geschilderd in de fameuze, in de loop der tijd steeds lossere en virtuozere schilderstijl die Hals' handelsmerk was.

Bij veel groepsportretten betaalde iedereen die afgebeeld wilde worden de schilder apart, die dan de plaats van de persoon op het schilderij liet afhangen van de bijdrage: met een royale betaling kon met zich van een plaats op de voorgrond verzekeren, en werd men in vol ornaat van hoofd tot voeten uitgebeeld; had men bescheiden bijgedragen, dan figureerde men al gauw op de achtergrond, het hoofd nog net zichtbaar tussen omstanders.

Alledaagse taferelen

Veel genre schilderijen, die op het eerste gezicht alleen het leven van alledag toonden, waren in feite illustraties van oude spreekwoorden en gezegden of hadden een moralistische boodschap, die tegenwoordig niet altijd meer makkelijk te achterhalen is. Alle rangen en standen werden afgebeeld. Genre schilderijen verschaffen ons veel inzicht in hoe onze voorzaten uit de 17e eeuw door het leven gingen. Zoals hiernaast door Johannes Vermeer, de Melkmeid.

Landschappen en stadsgezichten

Ook het schilderen van landschappen was een geliefde bezigheid in de 17e eeuw. In het begin van de Gouden Eeuw werd veel geschilderd in de stijl van 16e eeuwse voorgangers uit Vlaanderen, met name Antwerpen. Deze Vlamingen hadden weinig belang gehecht aan realisme. Doeken werden vaak in het atelier vervaardigd en waren deels aan de fantasie ontsproten. Dit zou nu spoedig veranderen: men ging nu schilderen wat men zelf waargenomen had, vaak aan de hand van schetsen die op locatie gemaakt waren. De horizon werd nu vaak laag gehouden, waardoor er meer ruimte kwam voor de vaak zo indrukwekkende en karakteristieke Hollandse wolkenluchten, met hun geheel eigen licht. Duinformaties behoorden tot de favoriete onderwerpen, maar ook rivierlandschappen met brede uiterwaarden, waar koeien op graasden, een silhouet van een stad op de achtergrond.

Ook winterlandschappen maakte men graag. Natuurlijk was ook de zee een onuitputtelijke bron van inspiratie. Tenslotte leefden veel Nederlanders van de vruchten van de zee of van overzeese handel, was de zee regelmatig een geduchte tegenstander, waaraan toch allengs meer land ontfutseld werd, maar ook dikwijls een, nochtans grillige, bondgenoot als Hollandse zeehelden hun triomfen vierden. Grote doeken verhaalden van beroemde zeeslagen, van een Hollandse marine op de toppen van haar kunnen.

Ook architectuur fascineerde de Nederlanders, in het bijzonder van kerken. Schilders legden interieur of exterieur van een gebouw zo nauwgezet mogelijk vast. Naarmate de eeuw vorderde werden nieuwe inzichten in de werking van het perspectief enthousiast toegepast.

Stillevens

Met name stillevens boden een schilder (en een enkele schilderes) de gelegenheid om zijn/haar kundigheid te etaleren in het overtuigend en zeer gedetailleerd en met realistische lichteffecten afbeelden van texturen en oppervlakken. Allerlei soorten drank en etenswaar, uitgestald op een tafel, zilveren bestek, fijn tafellinnen dat in plooien afhing, dit alles vormde een uitdaging voor fijnschilders. Met name schilders uit Leiden blonken in dit genre uit. Stillevens werden ook vaak in opdracht gemaakt. Rijke mensen wilden op zo'n stilleven graag hun waardevolle bezittingen terugzien, zodat ze hiermee pronken konden. Er werd veel gebruik gemaakt van symboliek in de stillevens.

Tot de vermaardste Nederlandse schilders uit de 17e eeuw behoren Ferdinand Bol, Albert Cuyp, Gerrit Dou, Carel Fabritius, Govert Flinck, Jan van Goyen, Frans Hals, Pieter de Hooch, Pieter Pieterszoon Lastman, Jan Lievens, Nicolaes Maes, Adriaen van Ostade, Paulus Potter, Rembrandt Harmenszoon van Rijn, Pieter Jansz. Saenredam, Jan Steen en Johannes Vermeer.

Architectuur

Voor meer details: Gouden Eeuw, Personen

Ook de architectuur beleefde hoogtijdagen in de Gouden Eeuw. De bloeiende economie had tot gevolg dat de steden enorm in omvang toenamen. Er werden nieuwe stadhuizen, wagen en pakhuizen gebouwd. Kooplieden die een fortuin vergaard hadden gaven opdracht tot de bouw van een nieuw pand, met rijk geornamenteerde gevel, langs een van de vele nieuwe grachten, die voor transport- en verdedigingsdoeleinden waren gegraven. Ook werden nieuwe landhuizen gebouwd, maar niet in grote aantallen.

In het begin van de 17e eeuw overheersten nog de stijl van de late gotiek, gecombineerd met renaissance motieven. Na enkele decennia nam de invloed van het Franse classicisme sterk toe: de nadruk werd gelegd op verticale elementen, het gebruik van ornamentatie nam af, natuursteen kreeg de voorkeur boven baksteen. In de laatste decennia van de 17e eeuw werd deze soberheid meer en meer benadrukt. Rond 1670 was de ingang van een huis het meest opvallende kenmerk van een gevel geworden, met zuilen aan weerszijden en mogelijk een balkon erboven, maar geen verdere decoratie.

Vanaf 1595 werden veel hervormde kerken gebouwd. Veel daarvan zijn nog steeds in het oog springende gebouwen in een stad.

De meest vermaarde Nederlandse architecten van de 17e eeuw waren Jacob van Campen, Lieven de Key en Hendrick de Keyser.

Literatuur

In de 17e eeuw verplaatste het centrum van literaire activiteit zich van de zuidelijke naar de noordelijke Nederlanden. Dit werd deels veroorzaakt doordat veel kunstenaars en intellectuelen tijdens de Tachtigjarige Oorlog de Spaanse overheersers ontvluchtten, met name na de val van Antwerpen in 1585.

Verhaallijnen werden ontleend aan de bijbel en de vaderlandse geschiedenis. Het bekendste stuk uit deze tijd is de Gijsbrecht van Aemstel, in 1637 geschreven door Joost van den Vondel. Het stuk is gesitueerd in het Amsterdam van rond 1300, en verhaalt van de rampen die de stad in haar bestaan bedreigden na de dood van Floris V. De Gijsbrecht werd eeuwenlang jaarlijks op nieuwjaarsdag in Amsterdam opgevoerd, een traditie die tot 1968 stand hield.

Meer dan andere kunstvormen zou de literatuur door de barok beïnvloed worden. Naarmate de 17e eeuw vorderde nam het niveau van de literaire productie af. Schrijvers begonnen hun voorgangers te imiteren. Ook werden literaire stijlen steeds meer geformaliseerd.

De vermaardste literatoren van de 17e eeuw waren Gerbrand Adriaenszoon Bredero, Jacob Cats, Pieter Corneliszoon Hooft en Joost van den Vondel.

Beeldhouwkunst

De Nederlandse prestaties op het vlak van de beeldhouwkunst worden minder hoog aangeslagen dan die in de schilderkunst en architectuur. Er werden ook minder sculpturen vervaardigd dan in omringende landen. Enerzijds was dit te verklaren door de totale afwezigheid ervan in protestantse kerken; tenslotte was de reformatie mede voortgekomen uit de afkeer van de beeldenverering in de katholieke kerk. Anderzijds had dit te maken met de kleine vraag naar beelden uit aristocratische kringen. Wel werden beeldhouwwerken gemaakt voor overheidsgebouwen en het exterieur van kerken. Particulieren gaven vaak opdracht tot het vervaardigen van een buste, dikwijls om een gevel te verfraaien. Er was ook vraag naar grafmonumenten.

Nederlandse beeldhouwers uit de 17e eeuw waren onder andere: Hendrick de Keyser, Artus Quellinus en Rombout Verhulst.

Muziek

In de 17e eeuw maakte men graag muziek in de huiselijke kring. Bekende instrumenten waren: de luit, het klavecimbel, de viola da gamba en de traverso. Er werden veel liederenboeken uitgegeven. Muzikale invloeden uit Engeland, Frankrijk en Italië voerden de boventoon in de Nederlandse muziek. Vanaf het midden van de eeuw werden meer en meer lyrische drama's, balletten en opera's opgevoerd in de Amsterdamse Schouwburg, die in 1638 geopend was.

De meest vermaarde Nederlandse componisten uit de 17e eeuw waren: Constantijn Huygens, Jan P. Sweelinck en Jacob van Eyck.

Einde van de Gouden Eeuw

Na de derde Nederlands-Engelse Oorlog werd koning Jacobus II van Engeland onttroond door het Engelse Parlement. Diens schoonzoon, de Nederlandse stadhouder Willem III, getrouwd met Mary, werd in 1689 gevraagd om ook koning van Engeland te worden. Willem had daar wel oren naar, en viel met een grotendeels Nederlands leger Engeland binnen. Sommigen beweren dan ook dat de Nederlanders de laatsten waren die Engeland 'veroverd' hebben in de zin van een geslaagde grootschalige militaire inmenging met Amsterdams geld. Het ging wel om een troonswisseling, niet om een inlijving van Engeland bij de Nederlandse Republiek. Willem III moest om koning te mogen worden aan het Engelse Parlement ook meer macht geven. Met het bewind van Willem en Maria Stuart (in Groot-Brittannië bekend als de 'Glorious Revolution' van William and Mary) werd een eind gemaakt aan een heel roerige periode in de Engelse geschiedenis, waarin ook de Engelsen voorgoed afrekenden met hun absolutistische koningen.

Willem III bracht ook zijn bankiers en raadgevers naar Londen en voerde economische verbeteringen door. Vanaf zijn tijd begon Engeland steeds meer de Republiek te overvleugelen, vooral in de koloniale handel. Voor een deel kwam dat omdat in Engeland nu het centraal gezag beter ging functioneren, ironisch genoeg mede door Willems hervormingen.

Verklaring

Traditioneel werd gemoraliseerd over het einde van de Gouden Eeuw. Het werd geweten aan gezapigheid van de regenten. Ze hadden het goed, waarom zouden ze ook maar iets veranderen? Ze hadden niet in de gaten of het interesseerde hen niet dat de rest van Europa niet stil bleef staan en hen economisch inhaalde. Zo verloor de Republiek haar leidende functie op bijna alle gebieden.

Maar de achteruitgang was relatief ten opzichte van de buurlanden. Na de Gouden Eeuw haalden Frankrijk en Engeland - landen met veel meer inwoners en hulpmiddelen - de Republiek snel in. De Duitse gebieden herstelden zich van de verwoestingen door de Dertigjarige Oorlog. Amsterdam wilde na de succesvolle verovering van Engeland door Willem III in de Glorious Revolution niet meer betalen voor militaire operaties. Zo verloor de Republiek grondgebied (rond Geldern) aan Pruisen. Nederland bleef nog wel het rijkste land ter wereld. Rentenieren en beleggen leverden meer rendement dan ondernemen. Nederlands kapitaal werd bijvoorbeeld geïnvesteerd in de industriële revolutie in Engeland. Dat Frankrijk en Engeland niet eerder de Republiek voorbij waren gegaan kwam omdat zij het te druk hadden met binnenlandse problemen als revoluties en oorlogen.

In de ogen van buitenlanders

Jonathan Israel geeft in de inleiding van zijn boek De Republiek, 1477-1806 een lijst van kenmerken en innovaties van de Republiek in de Gouden Eeuw waarover buitenlanders zich verbaasden.

Op economisch gebied was er de omvang en doelmatigheid van scheepvaart en handel, en de hoge ontwikkeling van industrie en financiële instellingen. Bezoekers prezen de ordelijkheid en reinheid van de mooie steden, de verdraagzaamheid op godsdienstig en intellectueel gebied, de wees-, armen- en ziekenhuizen, de gevangenissen en de geringe criminaliteit. Opmerkelijk was de inperking van de macht van de kerken, het gezag van de burgerlijke staat over het leger, de overvloed aan wetenschappelijke collecties, bibliotheken en uitgevers, en verder de prestaties van kunst, wetenschap en filosofie.

Buitenlanders waren geschokt door de veelheid van kerken, de overmatige vrijheid van vrouwen, personeel en joden, de burgerlijkheid en het ontbreken van hiërarchie. De Verenigde Provinciën waren een broeinest van wanorde.

De Republiek was de leidende technologische macht: trekschuit, straatverlichting, nieuwe sluizen, scheepsbouwmethoden, weefgetouwen, houtzaagmolens, andere windmolens enzovoorts trokken bezoekers als Tsaar Peter de Grote aan. Vernieuwingen in de land- en tuinbouw leidden tot een maximale productie: afwatering, veevoer en bemesting.

Op militair gebied waren er de vernieuwingen in tactiek, artillerie, vestingbouw, discipline enzovoorts. Krijgskundigen uit heel Europa kwamen kijken.

Streven naar "vrijheid" was een motief voor de Opstand geweest en nergens was er zo'n "vrije en veilige staat", schreef Romeyn de Hooghe, schilder en propagandist van Willem III in 1703. Dit neemt niet weg dat vooruitstrevende denkers als Hugo de Groot, Episcopius, Spinoza, Descartes en anderen op de grenzen van deze vrijheid stuitten. Toch roemden ze de relatief grote vrijheid. Descartes schreef dat er geen ander land was "où l'on puisse jouir d'une liberté si entière" (waar men een zo volledige vrijheid kan genieten).

Zie ook

Referenties

rel=nofollow

Literatuur

  • Deursen, A. Th. van De last van veel geluk. Geschiedenis van Nederland 1555-1702, ISBN 9035126270 (eerste uitgave 2004)
  • Huizinga, J. (1941): Nederlands beschaving in de zeventiende eeuw, 1941
  • Israel, J. (1996): De Republiek, 1477-1806, Franeker, ISBN 9051942214 (vertaling van The Dutch Republic: its rise, greatness and fall 1477-1806, Oxford 1995)
  • Prak, M. (2002): Gouden Eeuw. Het raadsel van de Republiek, Sun, Nijmegen, ISBN 90-5875-048-5
  • Schama, S. (1987): The Embarrassment of Riches: An Interpretation of Dutch Culture in the Golden Age , 1987
  • De Vries, J. en Van der Woude, A. The First Modern Economy: Success, failure, and perseverance of the Dutch economy, 1500-1815

}}

Wikimedia Commons  Zie ook de categorie met mediabestanden in verband met Dutch Golden Age painters op Wikimedia Commons.

rel=nofollow