Wikisage, de vrije encyclopedie van de tweede generatie, is digitaal erfgoed

Wikisage is op 1 na de grootste internet-encyclopedie in het Nederlands. Iedereen kan de hier verzamelde kennis gratis gebruiken, zonder storende advertenties. De Koninklijke Bibliotheek van Nederland heeft Wikisage in 2018 aangemerkt als digitaal erfgoed.

  • Wilt u meehelpen om Wikisage te laten groeien? Maak dan een account aan. U bent van harte welkom. Zie: Portaal:Gebruikers.
  • Bent u blij met Wikisage, of wilt u juist meer? Dan stellen we een bescheiden donatie om de kosten te bestrijden zeer op prijs. Zie: Portaal:Donaties.
rel=nofollow

Syndroom van Prader-Willi

Uit Wikisage
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Dit artikel valt onder beheer van Dorp:Hippokrateshoef.
Wikisage is niet aansprakelijk voor eventuele onjuistheden of toepassing van de in dit lemma gegeven medische informatie.    lees meer

Het syndroom van Prader-Willi oftewel Prader-willi-syndroom (ICD-10: Q87.1) werd in 1956 voor het eerst beschreven door de Zwitserse artsen Andrea Prader, Alexis Labhart en Heinrich Willi. In 1961 volgde een tweede publicatie van Prader en Willi. Het viel hen op dat de combinatie van spierslapte, onbedwingbare eetlust en een aantal uiterlijke kenmerken niet toevallig kon zijn. Vandaag de dag weten we dat het syndroom het gevolg is van een genetische afwijking. De oorzaak is het ontbreken van een klein stukje erfelijke informatie op chromosoom 15. In Nederland worden jaarlijks ongeveer 10 kinderen met het syndroom van Prader-Willi geboren. Het komt even vaak voor bij jongens als bij meisjes. Overigens beschreef John Langdon Down al in 1887 een meisje met opvallende kenmerken die passen bij het Prader-Willi-syndroom.

Kenmerken

Bij zuigelingen

  • Een laag geboortegewicht en geringe gewichtstoename.
  • (Vaak ernstige) spierslapte (hypotonie).
  • Weinig spontane bewegingen.
  • Weinig en zacht huilen en veel slapen.
  • Voedingsproblemen (de baby heeft een slechte zuigreflex waardoor het weinig en heel langzaam drinkt).
  • Een aantal uiterlijke kenmerken zoals: een smal voorhoofd, een smalle neus, amandelvormige ogen, een dunne driehoekig gevormde bovenlip, bij meisjes weinig ontwikkelde schaamlippen en bij jongens een te kleine penis en vaak niet-ingedaalde teelballetjes

Bij peuters, kleuters en schoolkinderen

  • Sterke verandering in het eetpatroon, waarbij er niet alleen een toename in eetlust bestaat, maar ook de neiging tot eten van abnormale dingen, zoals krijtjes of zeep.
  • Relatief geringe energiebehoefte van het lichaam.
  • Vaak (ernstig) overgewicht.
  • Achterstand in de ontwikkeling van de motoriek.
  • (Lichte tot matige) achterstand in de verstandelijke ontwikkeling.
  • Meestal een makkelijk, meegaand karakter, maar met af en toe flinke driftbuien.
  • Verminderde gevoeligheid voor pijn.
  • Minder snel koorts bij infecties.
  • Veel krabben en peuteren aan wondjes.
  • Kleine handen en voeten.

Bij pubers en volwassenen

  • De leermoeilijkheden blijven bestaan; de meeste volwassenen hebben een lichte tot matige verstandelijke handicap.
  • De seksuele ontwikkeling komt niet of pas laat op gang. Voornamelijk bij mannen is seksuele activiteit zeldzaam. De meeste mannen met Prader-Willi syndroom zijn onvruchtbaar. Vrouwen kunnen wel vruchtbaar zijn, vooral als zij geen overgewicht hebben.
  • De lichaamslengte bij mannen is gemiddeld 1,55 m; bij vrouwen 1,50 m.

Sterke, soms onverzadigbare eetlust, die kan leiden tot enorm overgewicht (obesitas).

  • Perioden van slaperigheid overdag (behoefte aan 'dutjes').
  • Doorgaans een kalm, rustig en vriendelijk karakter, met perioden van ernstige koppigheid en driftbuien.
  • Bij volwassenen kunnen psychische problemen optreden, zoals plotselinge heftige woede-uitbarstingen en perioden van depressief of psychotisch gedrag.

Ontwikkeling

Voeding en gewicht

Baby's met Prader-Willisyndroom drinken erg moeilijk. In de eerste maanden is nogal eens sondevoeding nodig. Na een half jaar gaat het drinken meestal beter. Vanaf de leeftijd van ongeveer een jaar kunnen de kinderen een vrijwel onverzadigbare eetlust ontwikkelen. Daar komt bij dat de normale hoeveelheid voedsel per dag voor hen al te veel is. De energiebehoefte van hun lichaam ligt ongeveer 30 procent beneden het gemiddelde. Zonder een vroege diagnose worden deze kinderen daarom heel snel veel te dik.

Motorische ontwikkeling

Het kind heeft meestal een ernstige aangeboren spierslapte (hypotonie). Het beweegt weinig en huilt zwak. Al op zuigelingenleeftijd kan met fysiotherapie veel gedaan worden om controle over de spierspanning (hoofdbalans, rompbalans) te verbeteren. Meestal is het kind weinig beweeglijk; de motorische mijlpalen worden later dan gewoonlijk bereikt. Het gaat laat zitten (rond 12 maanden) en laat lopen (rond 30 maanden). Soms zijn er problemen met het evenwicht. Het komt echter ook voor dat de motorische ontwikkeling nagenoeg normaal verloopt.

Spraakontwikkeling

De spraak-taalontwikkeling verloopt meestal traag, en de spraak is vaak hypernasaal. De spierslapte in het mondgebied kan het goed op gang komen van de spraak beïnvloeden. Logopedie op jonge leeftijd is dus niet alleen nuttig om het kind te stimuleren met zuigen, maar ook voor de verdere spraak- en taalontwikkeling.

Verstandelijke ontwikkeling

De verstandelijke ontwikkeling is meestal vertraagd. Veel kinderen met syndroom gaan naar het speciaal onderwijs (ML of ZML). Soms kunnen ze wat betreft hun verstandelijk functioneren eigenlijk de basisschool wel volgen, maar komen ze door hun kinderlijk gedrag in de knel tussen de andere scholieren. De meeste volwassen mensen met het syndroom hebben een lichte tot matige verstandelijke handicap. Er zijn ook sommige mensen die normaal begaafd zijn en in een enkel geval is er sprake van een ernstige verstandelijke beperking. Na het voortgezet (speciaal) onderwijs en soms een individuele beroepsopleiding kunnen sommige volwassenen zich vrij zelfstandig redden. Het moeilijk te beheersen eetgedrag kan echter een spelbreker zijn. Veel volwassenen blijven daarom aangewezen op begeleiding bij het wonen en werken. Het gemiddelde IQ is 70, met een brede variatie naar boven en naar beneden. Personen met het PWS functioneren vaak onder hun niveau (vooral leermoeilijkheden); abstract denken en rekenen zijn voor hen moeilijk. Mensen met PWS hebben voor veel zaken meer tijd nodig dan anderen (laag behandelingstempo).

Gedrag

Jonge kinderen met het syndroom maken meestal een hartelijke en gelukkige indruk. Later, en zeker in de puberteit kunnen er buien komen van humeurigheid, prikkelbaarheid en koppigheid. Voor opvoeders is het niet eenvoudig om een middenweg te vinden tussen het stimuleren van de sterke kanten van het kind enerzijds en anderzijds het beschermen tegen teleurstellingen die als gevolg van de handicap bijna onvermijdelijk zijn. De sterke lust tot eten, een eetdwang eigenlijk, levert naast de stemmingswisselingen vaak de meeste problemen op.

Gezondheid

Wanneer het gewicht onder controle kan worden gehouden, is de levensverwachting van mensen met het syndroom van Prader-Willi in principe normaal. Als gevolg van overgewicht kunnen gewrichtsproblemen (rug, enkels) en suikerziekte (diabetes mellitus) ontstaan.

Oorzaak

Het syndroom van Prader-Willi wordt veroorzaakt door het ontbreken van een stukje informatie dat normaal aanwezig is in het chromosoom nummer 15. Het ontbreken van dat stukje informatie kan op drie verschillende manieren zijn ontstaan.

Deletie

In 70 procent van de gevallen wordt het Prader- Willi syndroom veroorzaakt door deletie. Hierbij mist er een stukje uit een van de twee chromosomen nummer 15. Preciezer gezegd missen er een aantal genen (een klein stukje DNA) uit de lange arm van dat chromosoom 15 (15q11-13). Het bijzondere hierbij is dat het chromosoom 15, dat een stukje DNA mist, altijd afkomstig is van de vader. Het ontbreken van het stukje DNA uit chromosoom 15 ontstaat meestal bij toeval tijdens de vorming van de zaadcellen. De kans dat zoiets gebeurt, is erg klein, omdat de 'fout' niet reeds bij een van beide ouders aanwezig is. De herhalingskans bij een volgende zwangerschap is dan ook uiterst gering.

Uniparentele maternale disomie

In ongeveer 28 procent van de gevallen is er sprake van een uniparentele disomie. Hierbij mist er geen stukje DNA uit een van de twee chromosomen nummer 15, maar blijken beide chromosomen nummer 15 afkomstig te zijn van de moeder. Normaal zijn van de 23 chromosomenparen in elke lichaamscel van elk paar één afkomstig van de moeder en één van de vader. Wanneer er in de eicel van de moeder 'per ongeluk' twee chromosomen nummer 15 aanwezig zijn en in de zaadcel van de vader gewoon als normaal één aanwezig is, ontstaat er een bevruchte eicel met 3 chromosomen nummer 15. Dan is er dus één chromosoom nummer 15 teveel aanwezig, waarna een van de drie moet verdwijnen. Als nu chromosoom nummer 15 van de vader verdwijnt, blijven er twee identieke chromosomen nummer 15 van de moeder over en ontbreekt de kennelijk noodzakelijke vaderlijke informatie. Dit wordt daarom uniparentele (= één ouder) disomie (= twee chromosomen) genoemd. Het ontstaan van een bevruchte eicel met drie chromosomen nummer 15 is uiterst klein. De kans op herhaling bij een volgende zwangerschap is daarom dus ook zeer klein.

Afleesstoornis (imprintingsstoornis)

In 2 tot 5 procent van de gevallen gaat het om een imprintingsstoornis. Wanneer het van de vader afkomstige chromosoom nummer 15 wel aanwezig is, maar de informatie van dat stukje chromosoom om welke reden dan ook niet kan worden afgelezen, is het net alsof die informatie ontbreekt. Het ontstaan van het PWS door een afleesfout is zeldzaam. De kans op herhaling is in dit geval echter wel aanwezig, omdat de aanwezigheid van afleesfouten wel kan worden doorgegeven.

Translocatie

In ca. 1% van de gevallen is het missende stuk van chromsoom 15 op een ander chromosoom geplakt. Deze verplaatsing heet een translocatie.

Prenataal onderzoek is mogelijk

Voor het met zekerheid vaststellen van de diagnose Prader-Willisyndroom is onderzoek van de chromosomen dus van groot belang. Indien de juiste oorzaak is gevonden, kan tijdens een eventuele volgende zwangerschap DNA onderzoek bij de vrucht worden uitgevoerd (een vlokkentest of Vruchtwaterpunctie).

Chromosoom 15

Een ander syndroom waarbij het 'foutje' ook op chromosoom 15 ligt, is het syndroom van Angelman. Bij dit syndroom is het chromosoom 15 dat het stukje DNA mist altijd afkomstig van de moeder, in tegenstelling tot het Prader-Willi syndroom waarbij dat missende stukje altijd afkomstig is van de vader. Er bestaat ook een partiële tetrasomie 15. Naast de 46 chromosomen die normaalgesproken in elke lichaamscel voorkomen hebben ze een klein (deel van een) extra chromosoom dat is ontstaan uit chromosoom 15. Dit syndroom wordt IDIC-15 genoemd.

Medische informatie

Het Prader-Willisyndroom zal in de meeste artsenpraktijken niet of slechts zeer zelden voorkomen. Mede daardoor zal de kennis erover vaak te wensen overlaten. Hieronder zijn problemen, voorkomend bij het syndroom, vermeld die bij een medische behandeling complicaties zouden kunnen veroorzaken.

Slaap-/ademhalingsstoornissen

Door het soms enorme overgewicht kan een hypoventilatiesyndroom (stoornissen van de ademhaling) en apnoe (stokken van de ademhaling) tijdens de slaap ontstaan. Dit komt vooral voor bij erg dikke mensen met PWS, maar soms ook bij normaal gewicht. Afvallen kan het probleem doen verminderen. Excessive daytime sleepiness (buitengewone slaperigheid overdag) is een veel voorkomend symptoom. Kinderen kunnen in de klas in slaap vallen, vooral 's middags.

Versterkte reactie op sommige medicijnen

Vooral bij medicijnen voor vermageren en gedragsbeïnvloeding. Bij intramusculaire toediening kan langdurige sedatieve werking van het middel ontstaan.

Hoge pijndrempel en gestoorde temperatuurregulatie

Beide kunnen een infectie maskeren. Personen met het PWS zullen vaak pas over pijn klagen als de infectie hevig is. Veelal hebben zij geen of lage koorts bij infecties of ziekte.

Mogelijke problemen bij narcose

Problemen hangen samen met hypotonie (voorzichtig met spierrelaxantia), een gestoorde thermoregulatie (leidend tot hyper- en soms hypothermie, of oververhitting of onderkoeling van het lichaam), cardiovasculaire stoornissen (zoals hoge bloeddruk, ritmestoornissen), ernstig overgewicht (intubatieproblemen) en daarmee samenhangend Diabetes Mellitus (type 2) vanaf tienerleeftijd, en neiging tot convulsies (spierschokken)(vermijden van epileptogene anesthetica, voorkeur: halothaan).

Onvermogen tot braken

Mensen met PWS braken zeer zelden, zelfs al eten zij niet-eetbare zaken zoals afval. Mocht iemand toch gaan braken dan moet je erop bedacht zijn dat er iets ernstigs aan de hand is. Er is een verhoogde kans op diarree.

Krabben en peuteren

Dermatillomanie is een veel voorkomend probleem. Mensen met PWS hebben littekens en wondjes in diverse stadia van genezing. De wondjes worden dikwijls maanden opengehouden door peuteren. Door de hogere pijngrens die mensen met PWS hebben, is de kans op beschadiging groter. Voorkomen is beter dan genezen.

Hypotonie

Zuigelingen hebben vaak een slechte zuigreflex en ook op latere leeftijd een lage spiertonus. De taal- en spraakontwikkeling kan vertraagd zijn.

Nog enkele veel voorkomende medische aspecten

  • Scoliose (rugverkromming): komt veel voor, vaak niet herkend.
  • Diabetes mellitus (type II): vooral afhankelijk van gewicht.
  • Cariës: niet goed op elkaar sluiten van tanden en kiezen; dik, stinkend speeksel; slechte mondhygiëne.
  • Myopie (bijziendheid); strabismus (scheelheid): zeer frequent.
  • Hernia inguinalis (liesbreuk) en/of cryptorchisme (niet indalen van de teelballen).
  • Hypogenitalisme (weinig ontwikkelde geslachtsorganen).
  • Personen met PWS zijn meestal onvruchtbaar en hebben een beperkte lengtegroei.

De uitdaging voor opvoeders

Onverzadigbare eetlust met samenhangende vetzucht (adipositas)

  • Naast de onverzadigbare eetlust wordt een stofwisselingsstoornis aangenomen (gewichtstoename op laag calorisch dieet). Vooral na het 2e levensjaar wordt voedsel een obsessie. Er blijft een hongergevoel ondanks een volle maag. Gewichtstoename kan erg snel gaan.
  • Een gewoon dieet kan nog teveel calorieën bevatten voor iemand met PWS;
  • Ook als het gewicht goed geregeld is blijft controle noodzakelijk. Al heel jong zijn kinderen met PWS meesters in het weghalen en verbergen van voedsel. Blijft het gewicht binnen de perken dan is dat niet het gevolg van zelfcontrole maar meestal het beleid van de ouders die al het voedsel onder controle houden (keuken en koelkast op slot e.d.).
  • Mensen met PWS denken en dromen 24 uur per dag over eten. Het is dan ook erg moeilijk voedsel te zien maar er niet aan te mogen komen, bijv. als een kamergenootje wel alles mag hebben.
  • Medicijnen en chirurgisch ingrijpen (bijv. maagverkleining) hebben over het algemeen geen blijvend resultaat.

Gedragsproblemen

Mogelijk op basis van een hersenstoornis, gecompliceerd door vele andere factoren kunnen zich gedragsproblemen voordoen zoals driftbuien en woede-uitbarstingen. De volgende typische gedragskenmerken kunnen ten grondslag liggen aan allerlei probleemgedrag bij mensen met PWS. Koppigheid, egocentrisme, rigide manier van denken, verzet tegen veranderingen (hang naar structuur en routine), perseveratie (voortdurend dezelfde vragen stellen of dezelfde verhalen vertellen), krabben en pulken aan wondjes, hamsteren en verzamelen, eetobsessie. Depressieve en psychotische perioden komen voor, toenemend bij het ouder worden. Hoewel ze vaak erg aardig zijn, kan de stemming op onvoorspelbare momenten omslaan. Praten maakt in zo'n geval de zaak alleen maar erger. Vastgestelde time-out procedures werken meestal het beste. Medicatie heeft maar een beperkte waarde.

Literatuur

  • Suzanne B. Cassidy, MD, Prader-Willi Syndrome.

Current Problems in Pediatrics Vol. XIV nr. 1. (verkrijgbaar bij de Prader-Willi Vereniging)

  • L.R. Greenswag RN, PhD, R.C. Alexander MD, PhD, Management of Prader-Willi Syndrome, Springer Verlag.
  • M. Yamashita et al, Anaesthetic considerations in the Prader-Willi Syndrome.

Can. Anaest. Soc. J. 1983/30 : 2/pp 179-184.

Externe link

  • Stichting Kind en Groei - Nederlandse Stichting die o.a. onderzoek doet naar verschillende groeistoornissen, waaronder Prader-Willi Syndroom.