Wikisage, de vrije encyclopedie van de tweede generatie, is digitaal erfgoed

Wikisage is op 1 na de grootste internet-encyclopedie in het Nederlands. Iedereen kan de hier verzamelde kennis gratis gebruiken, zonder storende advertenties. De Koninklijke Bibliotheek van Nederland heeft Wikisage in 2018 aangemerkt als digitaal erfgoed.

  • Wilt u meehelpen om Wikisage te laten groeien? Maak dan een account aan. U bent van harte welkom. Zie: Portaal:Gebruikers.
  • Bent u blij met Wikisage, of wilt u juist meer? Dan stellen we een bescheiden donatie om de kosten te bestrijden zeer op prijs. Zie: Portaal:Donaties.
rel=nofollow

Nederlandsche Kultuurkamer

Uit Wikisage
Versie door Zalenvrouw (overleg | bijdragen) op 14 mei 2020 om 16:00
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De Nederlandsche Kultuurkamer was een door het nationaalsocialistische Departement van Volksvoorlichting en Kunsten tijdens de Tweede Wereldoorlog ingesteld instituut, waar iedereen die het vak van kunstenaar, schrijver, muzikant of podiumartiest wilde uitoefenen, zich bij diende aan te melden. Wie, zonder dat zijn aanmelding bij de Kultuurkamer was geaccepteerd, toch artistieke arbeid verrichtte, riskeerde een boete van ten hoogste f 5.000 (omgerekend naar de waarde in 2005 is dit € 29.500).

In Duitsland zelf was op 22 september 1933 de Reichskulturkammer opgericht door Joseph Goebbels, destijds "Reichsminister für Volksaufklärung und Propaganda".

De Nederlandsche Kultuurkamer moest vanzelfsprekend ten dienste staan van de nationaalsocialistische ideologie, met als trefwoorden: nationalistische instelling, verbondenheid met land en volk, historisch besef, uitbannen van alle ontaarde, ongezonde, onnatuurlijke creativiteit, een positief-Germaanse houding. Aanmeldingen door Joden (zij die twee of meer Joodse grootouders hadden) of 'Joods-vermaagschapte' personen (zij die met personen van Joodse afkomst getrouwd waren), werden in beginsel niet geaccepteerd, hoewel de president van de Kultuurkamer ontheffing van die bepaling mocht geven. De noodzaak van de Nederlandsche Kultuurkamer werd verwoord door haar president Goedewaagen: De nieuwe ordening, waar wij nu aan toe zijn, houdt in, dat de kultuurwerker weer een deel van het volk wordt. In nationaalsocialistische kring werd breed gevoeld dat de West-Europese kunstenaar na de Franse Revolutie steeds meer van zijn eigen volk vervreemd was geraakt. De kunstenaar was sindsdien zijn eigen weg gegaan, een weg die hem steeds verder wegvoerde van de volksgemeenschap. De Nederlandsche Kultuurkamer beoogde de kunstenaar terug te voeren naar die volksgemeenschap. Het Nederlandse overheidsbeleid sinds het midden van de 19e eeuw ten aanzien van de kunst was gebaseerd op Thorbeckes uitlating: 'Kunst is geen regeringszaak'. De nationaalsocialisten dachten daar anders over. Zij maakten kunst tot regeringszaak.

Geschiedenis

De Kultuurkamer werd op 25 november 1941 bij verordening door de Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche Gebied, Seyss Inquart, in het leven geroepen. Zij zou bestaan uit 6 gilden:

  1. Filmgilde
  2. Gilde voor Bouwkunst, Beeldende Kunsten en Kunstambacht
  3. Gilde voor Theater en Dans
  4. Letterengilde
  5. Muziekgilde
  6. Persgilde

In de verordening waarmee de Kultuurkamer in het leven werd geroepen, stond dat de Kultuurkamer geacht werd te functioneren op het moment dat er twee gilden zouden zijn ingesteld. Dat bleek op 22 januari 1942 het geval te zijn. Op 30 mei 1942 volgde de officiële plechtigheid waarbij de Nederlandsche Kultuurkamer geopend werd verklaard. In de Haagse Stadsschouwburg hield de filosoof dr. Tobie Goedewaagen (secretaris-generaal van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten en president van de Nederlandsche Kultuurkamer) een redevoering.

De organisatorische structuur van de Kultuurkamer was volgens het 'leidersprincipe'. Onder in de piramide zaten de verschillende kunstenaarsverenigingen, vervolgens de gildestaf met een gildeleider, daarboven de administratieve afdelingen van de Kultuurkamer met een directeur (dr. G. Hoekstra), waar boven een zaakvoerend vicepresident en een eerste vicepresident (prof. J. de Vries) stond, en tot slot stond aan de top de president van de Kultuurkamer (dr. T. Goedewaagen). De leiders van de gilden waren:

  1. Filmgilde: Jan Teunissen
  2. Gilde voor Bouwkunst, Beeldende Kunsten en Kunstambacht: Jan Bakker (april - sep. '42), opgevolgd door dr. ir. G.A.C. Blok
  3. Gilde voor Theater en Dans: Jan C. de Vos Jr.
  4. Letterengilde: prof. dr. J. de Vries
  5. Muziekgilde: Hendrik Rijnbergen
  6. Persgilde: Max Blokzijl, in juni '42 opgevolgd door mr.J.W. Huijts

De Kultuurkamer gaf vanaf januari 1942 een eigen tijdschrift uit: De Schouw.

Muziek

Later in de oorlog moest elk orkest beschikken over een goedgekeurd repertoire om in het openbaar op te mogen treden. Het moest lid zijn van de Kultuurkamer en moest een zogenaamde 'stijlvergunning' hebben. Hiermee werd het bijvoorbeeld onmogelijk Amerikaanse muziek uit te voeren.

Literatuur

Veel schrijvers weigerden lid te worden van de Kultuurkamer, en konden daarom hun werk tijdens de oorlog niet voortzetten. Enkele voorbeelden:

  • De schrijver Jan de Hartog weigerde lid te worden van de Kultuurkamer. Zijn boeken mochten daardoor niet meer herdrukt worden.
  • Ferdinand Bordewijk weigerde zich in aan te sluiten en mocht niet meer schrijven. Hij schreef echter toch door, onder het pseudoniem Emile Mandeau.
  • Toen Adriaan Roland Holst zich bij de Kultuurkamer moest aanmelden deelde hij mee zich te schikken omdat dit nu eenmaal moest door de maatregelen van de bezetting, maar stelde daarbij dat 'Uw afkeuring van mijn lidmaatschap door mij op hoogen prijs zal worden gesteld'. Hij moest daarna onderduiken. Temeer daar hij een afschrift van het bovenstaande ook nog aan de Duitse autoriteiten stuurde met begeleidende brief waarin hij stelde dat het pas sinds kort duidelijk was dat "die sich vollziehende Veränderung von Cultuur in Kultur sich auf dem Wege von Polizeimaßnahmen durchsetzen würde. Als Westeuropäer fällt es nicht leicht, sich von diesen, sener Art fremden Auffässungen einem Begriff zu bilden".

In tegenstelling tot veel schrijvers meldden de meeste uitgevers zich wel voor de Kultuurkamer. Een krant die door bleef gaan was bijvoorbeeld De Telegraaf, die daarna uiteraard alleen maar de nazi-kant mocht belichten. In eerste instantie probeerde de hoofdredactie de pro-Duitse artikelen (geschreven door NSB-journalisten die bij de krant werkten) zoveel mogelijk naar de achterste pagina van de krant te dirigeren. Dit lukte aanvankelijk ook, maar uiteindelijk werden alle leden van de hoofdredactie door de nazi's uit de Telegraaf-redactie gewerkt. Wat overbleef was een volledig door de Duitsers gecontroleerde redactie en een pro-Duitse krant. In reactie daarop ontstonden verschillende illegale uitgeverijen, zoals De Bezige Bij.

Na de oorlog werd via een onderzoekscommissie aan een aantal Nederlandse auteurs een publicatieverbod van enkele jaren opgelegd. In deze commissie (de Eereraad voor de Letterkunde genoemd) zaten schrijvers als Martinus Nijhoff en Ferdinand Bordewijk.

Theater

Artiesten uit de amusementswereld probeerden zich over het algemeen niet aan aanmelding te onttrekken. Velen stonden zelfs positief tegenover de oprichting van de Kultuurkamer. Gedurende de jaren dertig was het aantal variétéartiesten in Nederland namelijk fors toegenomen. Onder de nieuwelingen bevonden zich veel personen wier vakbekwaamheid door hun collega's in twijfel werd getrokken. De Kultuurkamer werd onder andere opgericht onder het mom dat ze dergelijke 'beunhazerij' zou tegengaan.

Als verzachtende omstandigheid voor het gebrek aan verzet onder amusementsartiesten werd na de oorlog ook wel aangevoerd dat de meesten van hen het vak van artiest als enige broodwinning hadden. Ook zou het voor hen, door de lichtvoetige aard van hun kunst, eenvoudiger zijn geweest om zich verre van politieke stellingname te houden.

Wim Sonneveld verwoordde zijn motivatie na de bevrijding in een theatervoorstelling als volgt:

Ik heb altijd gewoon gedacht: als het publiek nog eens een ogenblik z'n misère-van-alledag-van-bonnen-en-oorlog-en-concentratiekampen vergeten kan, dan draagt het diezelfde misère de volgende dag een beetje gemakkelijker. Die twee dingen heb ik geprobeerd te combineren, Kultuurkamer of geen Kultuurkamer.

Het publiek scheen die opvatting te delen: oproepen in illegale verzetskrantjes om niet naar amusementsvoorstellingen te gaan hadden geen merkbaar effect. Onder de theaterartiesten die zich wél aan aanmelding onttrokken waren Fien de la Mar en Joop Doderer.

Externe link

  1. Prof. dr. Tobie Goedewaagen in Biografische Woordenboek van Nederland

rel=nofollow