Wikisage, de vrije encyclopedie van de tweede generatie, is digitaal erfgoed

Wikisage is op 1 na de grootste internet-encyclopedie in het Nederlands. Iedereen kan de hier verzamelde kennis gratis gebruiken, zonder storende advertenties. De Koninklijke Bibliotheek van Nederland heeft Wikisage in 2018 aangemerkt als digitaal erfgoed.

  • Wilt u meehelpen om Wikisage te laten groeien? Maak dan een account aan. U bent van harte welkom. Zie: Portaal:Gebruikers.
  • Bent u blij met Wikisage, of wilt u juist meer? Dan stellen we een bescheiden donatie om de kosten te bestrijden zeer op prijs. Zie: Portaal:Donaties.
rel=nofollow

Bidsprinkhaan

Uit Wikisage
(Doorverwezen vanaf Mantodea)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
rel=nofollow

De bidsprinkhanen oftewel Mantodea vormen een orde van carnivore insecten die overal ter wereld voorkomen, maar vooral in tropische streken. Lange tijd werden de bidsprinkhanen als onderorde of familie gezien, vanwege de verwantschap met de kakkerlakken.

Algemeen

Bidsprinkhanen danken hun naam aan het Griekse woord Mantis, dat profeet of waarzegger betekent. Ze onderscheiden zich van de krekels en sprinkhanen (Orthoptera) doordat ze carnivoor zijn, nauwelijks kunnen springen en een totaal andere lichaamsbouw hebben, meestal opgericht in plaats van kruipend. Ze zijn ook meer verwant aan de kakkerlak dan aan de sprinkhaan. Er zijn ongeveer 2500 soorten bidsprinkhanen, uit 400 geslachten en ze komen met name in de tropen voor. Alleen de 'gewone' bidsprinkhaan, (Mantis religiosa) komt algemeen in Europa voor, tot ongeveer de breedtegraad van Parijs, en rond de Middellandse Zee zijn nog enkele andere soorten te vinden. Bidsprinkhanen zijn zonder uitzondering carnivoor en kennen zelfs kannibalisme. Ze eten alles wat ze aankunnen, en hebben hagedissen en vogels als voornaamste vijanden. De meeste soorten zijn acht tot twaalf centimeter, de kleinsten 2,5 cm en de grootste soort (Ischnomantis sp.) wordt 25 cm.

Anatomie

Het hele lichaam van de dieren is er op gebouwd zo efficiënt mogelijk te kunnen jagen;

  • ze hebben wijd uit elkaar staande poten, waarmee ze stabiel zijn, snel kunnen lopen en ook lenig kunnen 'schommelen' om vijanden te foppen;
  • Het voorste thoraxsegment (prothorax) is ten opzichte van de meeste andere insecten sterk verlengd, waardoor de reikwijdte van het dier met de vangarmen, ten opzichte van de poten waarmee het zich aan de onderlaag vasthoudt, toeneemt.
  • aan de prothorax twee lange en sterke vangarmen met daaraan vele stekels om de prooi goed vast te houden;
  • een grote, driehoekige, kop met grote ogen en twee voelsprietjes, die meestal klein blijven. Deze kop heeft veel weg van het bekende (simpele) alien-logo.
  • Het abdomen van een bidsprinkhaan kan enorm groot worden; hierdoor kan het insect een grote voorraad aanleggen en schrale tijden overleven.

De kop is volledig draaibaar en kan alle kanten op bewegen zodat het dier letterlijk over de schouder kan kijken. Het gezichtsveld van een bidsprinkhaan is heel ver, zijn ogen functioneren ook als verrekijkers waarmee hij hoogte en diepte kan uitmeten. De bidsprinkhaan kan alleen bewegende prooien zien, als ze stilzitten neemt de bidsprinkhaan ze niet waar. De meeste bidsprinkhanen hebben twee paar vleugels en kunnen wel vliegen, maar doen dat liever niet en alleen bij noodzaak zoals een val uit een boom. Bovendien is vliegen gevaarlijk: ze zijn niet erg snel, de vleugelspanwijdte van een middelgrote bidsprinkhaan evenaart bijna die van een vogel en ze hebben onder de groene schildvleugels vaak felle schrikkleuren, zodat ze een makkelijke prooi zijn. Deze schrikkleuren dienen om vijanden op het laatste moment een waarschuwingskleur (rood, blauw of geel) te laten zien bij het opvliegen, in de hoop dat de aanval gestaakt wordt. Bidsprinkhanen zijn namelijk slechte vliegers die niet snel kunnen opvliegen zoals een libel en zich ook in vlucht makkelijk laten wegplukken; eenmaal ontdekt door een jagende vogel maken ze geen schijn van kans meer. Bidsprinkhanen moeten het dan ook vooral van hun camouflage en wiegende bewegingen hebben.

Camouflage

Bidsprinkhanen zijn zeer goed gecamoufleerd en bewegen zich zo min mogelijk. Als ze bewegen waggelen de dieren zachtjes met de poten zodat ze meer op een door de wind bewogen takje lijken. Ze zitten de hele dag te wachten op langslopende prooi die dan met een snelle beweging door de vangarmen wordt gepakt en meteen opgegeten, een bidsprinkhaan knauwt de prooi op en begint bij de kop. Te grote prooien laat hij lopen, en poten en vleugels worden niet gegeten. Sommige soorten zijn meesters in mimicry en imiteren zowel vorm (takjes, bladeren, doorns) als kleur (sommige hebben precies de roze of witte kleur van de bloemen waar zij bij voorkeur in zitten). Het is vaak moeilijk om een bidsprinkhaan in het wild waar te nemen; zelfs als ze vlak onder de neus zitten worden ze vaak over het hoofd gezien.

Voortplanting

Bidsprinkhanen staan erom bekend elkaar op te eten, de reden is waarschijnlijk dat ze alleen maar kunnen waarnemen dát er iets beweegt van prooigrootte, en ze zien niet wát er beweegt. Het bidsprinkhanenmannetje, dat vaak kleiner is dan het vrouwtje, moet het vrouwtje daarom voorzichtig benaderen om in plaats van als partner niet als maaltijd te worden gezien. Het komt ook wel voor dat hij tijdens de paring wordt opgegeten. Dit gedrag heeft de bidsprinkhaan bij antropomorfisch denkenden een slechte naam bezorgd. Het vrouwtje legt haar eitjes (enige tientallen tot honderden) in een soort cocon (oötheca) van hardwordend schuim. De nimfen, die slechts vleugelstompjes hebben, maar verder het kleine evenbeeld van hun ouders zijn, hebben vanaf de geboorte al levend voer nodig; kannibalisme komt veel voor, net zoals bij spinnenjongen. De nimfen vervellen 7 à 10 keer voordat het een imago wordt. Bidsprinkhanen kunnen hierna nog enkele maanden leven, afhankelijk van de temparatuur en voedsel. Tijdens de vervelling zijn de dieren zeer gevoelig voor vijanden, meestal trekken ze zich terug onder een blad.

Huisvesting

Bidsprinkhanen zijn leuke dieren om te houden in een terrarium; het zijn bekende beginnersdieren. Als men een hagedis, slang of schildpad wil aanschaffen, kan men 'oefenen' met een bidsprinkhaan. Ze zijn moeilijker te houden dan wandelende takken, want ze hebben wel een terrarium met verlichting nodig en dienen vochtig te worden gehouden, maar hebben verder niet al te veel verzorging nodig. Hopen poep, talloze ziektes, parasieten, ontsnappingsgevaar, gillende paargeluiden, stress, kalk- en vitamineproblemen en UV-behoefte kennen bidsprinkhanen namelijk niet. Alleen het levende voer wordt lastig als men in de stad woont, maar is bij dierenspeciaalzaken wel te verkrijgen. Empusa-soorten zijn overigens niet-kannibalistisch en in groepen te houden. Nimfen zijn de eerste zes vervellingen in een afgeknipte limonadefles te houden, met bijvoorbeeld een panty als afdekking. Het zijn vraatzuchtige roofdieren die een enorme voedselopslag kennen; grote spinnen en sabelsprinkhanen hebben echter ook grote kaken, en kunnen de sprinkhaan verwonden of zelfs doden.
De mooiste soorten behoren tot de spooksprinkhanen, die tot 20 cm kunnen worden en de meest wonderlijke vormen aannemen. Het interessante is dat ze bij iedere vervelling groter worden, maar er ook anders uitzien. Sommige blad-bidsprinkhanen lijken zo sterk op reuzenmieren, dat de mieren zelf niet door hebben dat er een roofdier in hun midden is.

Evolutie

In Japan is een 87 miljoen jaar oude, in boomhars (barnsteen) gevangen insect gevonden, waarvan wetenschappers vermoeden dat het hier gaat om de gemeenschappelijke voorouder van de huidige bidsprinkhanen. Er is lang gezocht naar deze "missing link". het fossiel heeft afmetingen van 14 mm (van zijn antennes tot achterlijf.)


Externe link

Bidsprinkhanen.be - Hét Nederlandstalige bidsprinkhanen forum

Wikimedia Commons  Vrije mediabestanden over Mantodea op Wikimedia Commons