Op 1 augustus 2018 vierde Wikisage, de vrije encyclopedie van de tweede generatie, haar 10-jarig jubileum!

Wikisage is op 1 na de grootste internet-encyclopedie in het Nederlands. Iedereen kan de hier verzamelde kennis gratis gebruiken, zonder storende advertenties.

  • Wilt u meehelpen om Wikisage te laten groeien? Maak dan een account aan. U bent van harte welkom. Zie: Portaal:Gebruikers.
  • Bent u blij met Wikisage, of wilt u juist meer? Dan stellen we een bescheiden donatie om de kosten te bestrijden zeer op prijs. Zie: Portaal:Donaties.

Historisch-kritische methode

Uit Wikisage
Ga naar: navigatie, zoeken

De historisch-kritische methode (ook wel hogere Bijbelkritiek of hogere schriftkritiek genoemd - met afwisselend hoofdletters of kleine letters) is de verzameling van analytische instrumenten die bij de exegese kunnen worden gebruikt om de oorspronkelijke boodschap te achterhalen die de Bijbelschrijvers tot de eerste lezers richtten.

Doel en uitgangspunten

Het doel van de historisch-kritische methode is via het nagaan van details zoals auteurschap en doelgroep, bronnenmateriaal en datum van compositie van elk boek, te achterhalen wat de bedoeling van de schrijvers en redacteuren van de Bijbel was. Op die manier kan worden begrepen wat de oorspronkelijke boodschap was die zij richtten tot de eerste lezers.

Situering

Door de historisch-kritische methode wordt geprobeerd de tekst in een historische context te plaatsen die breder is dan alleen de context van de Bijbel zelf. Er wordt gekeken naar de historische context van het Midden-Oosten als geheel, de literaire traditie van die tijd, religieuze gebruiken in landen waarmee de auteurs van de Bijbel in aanraking moeten zijn gekomen (zoals het Oude Egypte, het Babylonische Rijk, het Assyrische Rijk, de Meden en Perzen) en daarmee samenhangende aspecten. De instrumenten komen daarom uit alle disciplines: sociologie, cul­turele antropologie, psychologie, psychoanalyse, retorica, communicatiewetenschappen en zo verder. De term hogere kritiek werd bedacht door de Duitse bijbelcriticus Johann Gottfried Eichhorn.[1]

Doel en uitgangspunten

De historisch-kritische methode kent de volgende uitgangspunten:

  • Deze methode is historisch, wat inhoudt dat ze analyseert wat deze teksten in historisch opzicht betekenden. De methode probeert licht te werpen op de historische processen die hebben geleid tot de tekst van de Bijbel in zijn huidige vorm. Deze processen duurden lang en waren ingewikkeld. Er wordt aangenomen dat de tekst in verschillende fases ontstond en dat verschillende elementen van de tekst oorspronkelijk op verschillende plaatsen, in andere tijdsperiodes of met een andere doelgroep in gedachten geschreven werden, maar later werden samengevoegd.
  • De term kritische methode duidt erop dat deze methode bij iedere stap (van tekstkritiek tot redactiekritiek) gebruik maakt van zo objectief mogelijke en wetenschappelijke criteria. Het is de bedoeling dat de hedendaagse lezer deze stappen kan volgen en begrijpen en zo tot een beter begrip kan komen van (vaak moeilijke) teksten in de Bijbel. Men beroept zich niet op inspiratie of andere bovenmenselijke inzichten. De tekst van de Bijbel wordt analytisch benaderd zoals andere teksten uit de oudheid. Juist daardoor kan een goed onderscheid worden gemaakt tussen de tekst als communicatie van de ene mens tot de andere en de inhoud van de goddelijke openbaring die de exegeet wil achterhalen.

Beschrijving van de methode

Bij het toepassen van de historisch-kritische methode worden de volgende stappen systematisch doorlopen om te onderzoeken hoe de Bijbelse openbaring in verschillende stadia is verlopen:

Tekstkritiek

Er wordt altijd gestart met tekstkritiek. Daarbij wordt gezocht naar de oudste en beste handschriften inclusief papyri, en houdt men rekening met vertalingen uit de oudheid en citaten in vroegchristelijke geschriften (patristiek). Het doel is volgens vastgestelde regels een tekst samen te stellen die de oorspronkelijke tekst van de Bijbel zo veel mogelijk benadert. Bij het Nieuwe Testament kan van talloze documenten gebruik worden gemaakt die dateren uit een tijd die dicht ligt bij het ontstaan van het Nieuwe Testament. In het geval van het Oude Testament is dat veel lastiger en wordt meestal gebruik gemaakt van de Codex Leningradensis, soms van de Codex van Aleppo. Deze laatste stamt uit 925 (n.Chr.) en is het oudst bewaarde manuscript van het complete Oude Testament (al is vrijwel de gehele Pentateuch verloren gegaan bij een aanslag op de synagoge van Aleppo in 1947).

Hoofdartikel.png Zie Tekstkritiek van het Nieuwe Testament voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De volgende stap is een taalkundige en semantische analyse van de tekst. Daarbij wordt de vorm van de tekst, de structuur en opbouw van de zinnen en de gebruikte grammatica geanalyseerd. De gebruikte methodes komen uit de historische filologie.

Literaire kritiek

Daarna wordt de literaire kritiek toegepast en bekeken welke elementen uit de tekst bij elkaar horen. Dat kunnen grotere of kleinere delen zijn. De samenhang van de teksten wordt ook bepaald. Uit deze analyse kan blijken dat er doubletten zijn, innerlijke tegenstrijdigheden of andere zaken die erop wijzen dat de tekst is samengesteld uit oudere delen. Men probeert deze delen te isoleren om vervolgens te onderzoeken of kan worden achterhaald waar deze delen vandaan komen. Mogelijk kunnen oudere bronnen worden achterhaald.

Van elk element wordt vervolgens onderzocht tot welk literair genre het behoort (bijvoorbeeld juridisch, poëzie of een lofzang), wat de sociale context was, of er specifieke kenmerken aan te wijzen zijn en of kan worden achterhaald hoe het tekstelement zich heeft ontwikkeld. Daarna kan worden geanalyseerd tot welke traditiestroming de tekst behoort en welke plaats de tekst inneemt in de ontwikkeling van die traditie.

Vormkritiek en redactiekritiek

Bij de vormkritiek (ook wel Formgeschichte genoemd) en redactiekritiek (ook wel Redaktionsgeschichte genoemd) wordt geanalyseerd welke redactie op de tekst is toegepast totdat de tekst de overgeleverde vorm kreeg. Redactie wordt altijd toegepast vanuit een bepaald idee. Het is belangrijk te achterhalen met welke achtergrondideeën de redacteur de tekstvorm heeft bepaald.

Het uitgangspunt van de vormkritiek is dat er een periode van minimaal 25 jaar zit tussen het leven van Jezus en de evangeliën in de vorm zoals we die nu kennen. In de tussenliggende periode was er eerst een (voor de regio heel gebruikelijke) mondelinge overlevering. Na verloop van tijd werden belangrijke verhalen of uitspraken opgeschreven en circuleerden onder de vroege christenen. Deze korte eenheden of episoden worden perikopen genoemd. De vormkritiek gaat er vervolgens van uit dat de overlevering van deze eenheden afhankelijk was van de behoefte van de vroege Kerk (Sitz im Leben). Wanneer de vroege christenen met een vraagstuk werden geconfronteerd, werd een toepasselijke uitspraak of gebeurtenis uit het leven van Jezus daarop van toepassing gebracht (of volgens de moderne hypothese ’gecreëerd’). Zo zou een verschuiving hebben plaatsgevonden van wat er historisch gezien in het leven van Jezus heeft plaatsgevonden naar de overtuigingen en gebruiken van de vroege Kerk. Deze perikopen niet steeds chronologisch, maar soms bijvoorbeeld thematisch gerangschikt. Op verschillende plaatsen werd hieruit evangelie samengesteld. Dit zou verklaren waarom dezelfde gebeurtenissen in de evangeliën soms op verschillende plaatsen (in de tijd) verschijnen.

Omdat men hieruit meent te concluderen dat de evangeliën zijn samengesteld uit onderdelen die door anderen werden geschreven of overgeleverd, beschouwt men in de vormkritiek de evangelisten niet als schrijvers maar als redacteurs, die de perikopen in een verhaal plaatsten dat kon worden gebruikt bij de prediking. Aangezien perikopen niet steeds chronologisch geordend zijn, mogen formuleringen als „hierna”, „meteen” of „enkele dagen daarna” niet letterlijk worden genomen. Deze worden gezien als de (fictieve) verbinding tussen de aanvankelijk losstaande elementen. De vormkritiek is er op gericht te onderzoeken wat deze verbindingen zijn en uit welke perikopen de evangeliën zijn samengesteld. De volgende stap is te proberen de oorspronkelijke vorm van de perikopen te bepalen en te onderzoeken wat de aanleiding (Sitz im Leben) kan zijn geweest voor elke specifieke perikoop.

Vervolgens kan de tekst zoals die is overgeleverd worden verklaard. De tekst in zijn huidige vorm kan bekeken worden in het licht van de geschiedenis van de verschillende delen ervan en hun onderlinge relatie. Als de tekst bijvoorbeeld over een historische gebeurtenis gaat, kan op basis van het tekstgenre worden beoordeeld welke boodschap de auteur wilde overbrengen aan welke specifieke groep lezers of toehoorders.

Bij de laatste stap kan het (historische) belang van de tekst worden beoordeeld.

De betekenis van de methode voor het begrip van de Bijbel

Hoewel de methode zich in principe alleen richtte op het analyseren van de tekst, de bronnen ervan en de plaats ervan in de geschiedenis, leidde dit tot belangrijke nieuwe inzichten in de Bijbel. Zeker wat het Oude Testament betreft, concludeert een meerderheid van moderne bijbelwetenschappers dat de tekst een lange geschiedenis heeft. De traditionele lijst bijbelschrijvers wordt geacht onjuist te zijn, er kwamen nieuwe inzichten in de ontstaansgeschiedenis en de context waarin de boeken van de Bijbel zijn ontstaan. Dit heeft vervolgens inzicht gegeven in de geschiedenis van Israël en het vroege Christendom.

In de eerste periode waarin de historisch-kritische methode werd toegepast leidde dit tot een confrontatie tussen geestelijken en wetenschappers. Uiteindelijk werd een meerderheid die zich in de methode verdiepte wel overtuigd dat het toepassen ervan tot een beter begrip van de waarheid van de Bijbel zou leiden. De letterlijke betekenis van de tekst van de Bijbel zoeken is de kerntaak van de exegese (zie Divino Afflante Spiritu) en om dat te kunnen is het toepassen van de historisch-kritische methode onmisbaar. Thomas van Aquino wees al op het belang van de letterlijke betekenis van de tekst.[2] „Letterlijke betekenis” moet niet worden verward met een al te letterlijke of „lettergebonden” interpretatie. Een woord voor woord begrip van de tekst is niet voldoende. De tekst moet in zijn historische context worden gezien. Een overdrachtelijk gebruik moet altijd worden geïnterpreteerd. Bijvoorbeeld: „Laten uw lendenen omgord zijn en uw lampen brandende” (Lukas 12:35 (NBG)) is geen kledingvoorschrift of een oproep tot energieverspilling maar kan een aansporing zijn om altijd beschikbaar en klaar te zijn om te handelen. De letterlijke betekenis van de Bijbel is de betekenis zoals deze door de geïnspireerde menselijke schrijvers is overgebracht. Deze betekenis is alleen te achterhalen door te analyseren wat de literaire en historische context is van de tekst. De historisch-kritische methode is bedoeld als de methodiek en het instrumentarium hiervoor.

Als nadeel van de historisch-kritische methode noemt men soms dat deze methode zich beperkt tot het zoeken naar de oorspronkelijke betekenis die de tekst had toen deze werd opgeschreven of zijn definitieve vorm kreeg. Wanneer de tekst in de loop van de geschiedenis nog andere betekenissen kreeg, worden deze in principe buiten beschouwing gelaten.

Geschiedenis

De historisch-kritische methode heeft verschillende ontwikkelingsfases doorlopen: na de tekstkritiek ontstond een literaire kritiek die de tekst ontleedt en vooral onderzoek deed naar de bronnen van een tekst. Daarna werd ook gekeken naar de vormen van de boodschap en tot slot ontstond een analyse van de redactie waarbij vooral gelet wordt op de wijze waarop de tekst is samengesteld. Deze ontwikkelingsfases zijn ook nog altijd de fases waarin een passage van de Bijbel wordt geanalyseerd.

Tekstkritiek

Erasmus

Een voorloper van de historisch-kritische methode was de tekstkritiek, die manuscripten vergelijkt en onderzoekt om vast te stellen wat de oudste of meest oorspronkelijke tekstversie was. Deze begon in feite met Desiderius Erasmus. Erasmus beheerste als weinig anderen zowel het Oudgrieks als Latijn en raakte er door zijn studie van de Bijbel van overtuigd dat bepaalde delen van de Bijbel in de Latijnse Vulgaat niet goed vertaald waren. Erasmus had zes Griekse handschriften van het Nieuwe Testament tot zijn beschikking en vertaalde elk ervan naar het Latijn om de verschillen met de Vulgaat te laten zien. In 1516 liet Erasmus de vrucht van zijn arbeid drukken; dit wordt de Textus receptus genoemd. Uit zijn minutieuze vergelijking van de hem beschikbare teksten bleek dat er verschillende variaties waren van de tekst van de Bijbel. Hoewel de verschillen soms klein waren brachten de varianten soms een andere boodschap over. Het bracht het besef dat de Bijbel een tekst was als alle teksten: geschreven in een bepaald handschrift, in een bepaalde taal, in een bepaalde tijd. Bij het kopiëren van de teksten (de boekdrukkunst werd immers pas in de eerste helft van de 15e eeuw uitgevonden) slopen verschillen in de tekst. Soms door schrijffouten maar soms ook doordat met goede bedoelingen wijzigingen werden aangebracht bijvoorbeeld om de tekst begrijpelijk te maken voor het publiek waarvoor het afschrift werd gemaakt of omdat de kopiist dacht dat zijn voorganger een schrijffout had gemaakt. Om de oorspronkelijke tekst van de Bijbel vast te stellen, moest men het beschikbare tekstuele bewijsmateriaal gaan interpreteren.

Spinoza

De volgende belangrijke stap werd gezet door Spinoza met de uitgave in 1670 van zijn Tractatus theologico-politicus (anoniem uitgegeven). Men ziet Spinoza daarom wel als een grondlegger van de historisch-kritische methode. Hij stelde dat de Bijbel op zo vele verschillende manieren werd uitgelegd omdat de oorspronkelijke boodschap niet werd begrepen. Vervolgens probeerde hij de oorspronkelijke bedoeling van bepaalde passages te achterhalen. Hij toonde aan dat dat in sommige gevallen niet mogelijk is omdat de taal waarin de passage oorspronkelijk werd geschreven niet meer begrepen wordt of omdat de achtergrond van de auteurs onduidelijk was. Vervolgens maakte hij een gedetailleerde opsomming van innerlijke tegenstrijdigheden in de Bijbel. Hij schreef dat hij dat niet deed om het gezag van de Bijbel te ondermijnen, maar omdat het gezag van de Bijbel wordt ondermijnd wanneer men de fouten niet erkent en ze daarmee vermengt met de onbedorven plaatsen.

Richard Simon

Richard Simon publiceerde in 1672 zijn Histoire critique du Vieux Testament[3] waarin hij argumenten van o.a. Louis Cappel en Johannes Morinus op intelligente wijze bundelde, samenvoegde en verder ontwikkelde door eigen ideeën. Zo wees wees hij op de doubletten, de verschillen in inhoud en de verschillen in stijl die men kan constateren in de Pentateuch. Simon wordt algemeen beschouwd als een talenwonder. Hij beheerste alle talen waarin de Bijbel (of delen ervan) waren geschreven volledig en presenteerde talloze argumenten die het buitengewoon moeilijk voorstelbaar maakten dat alle delen van de Pentateuch door Mozes waren geschreven. De geestelijkheid reageerde woedend. Niet in het minst omdat Simon zijn werk in een moderne taal had geschreven in plaats van Grieks of Latijn en zo dus voor iedereen te begrijpen. Ook protestantse fundamentalisten waren furieus dat aan het auteurschap van Mozes werd getwijfeld. Jean le Clerc („Clericus”) schreef onder de schuilnaam Pierre Ambrun een werk getiteld Sentimens de quelques théologiens de Hollande waarin hij probeerde de argumenten van Simon te weerleggen. Vanaf de achttiende eeuw werd de geldigheid van Simons argumenten in toenemende mate erkend.

Literaire kritiek

Om toch aan Mozes als auteur te kunnen vasthouden, stelde Jean Astruc in 1753 in zijn werk Conjectures sur les mémoires dont il parait que Moyse s'est servi pour composer la Genèse, avec des remarques qui affirment ou qui éclaircissent ces conjectures dat Mozes bij het schrijven van Genesis gebruik had gemaakt van verschillende bronnen (en vooral van twee hoofdbronnen).

Maar na die tijd is de zienswijze dat de Pentateuch niet in zijn geheel door Mozes zou zijn geschreven door de meeste geleerden aangenomen, en houdt men enkel nog vanuit een traditionele hoek vast aan Mozes’ auteurschap. Deze literaire kritiek probeerde vooral de Bijbelse teksten in de tijd te plaatsen en richtte zich vooral op het ontrafelen en ontleden van de tekst om te analyseren wat de verschillende bronnen ervan waren. De tekstvorm en de boodschap die de redacteurs wensten over te brengen raakte onderbelicht. Als gevolg daarvan werd soms beweerd dat de historisch-kritische methode er alleen op gericht was de tekst in stukken te snijden en daarmee kapot te maken. Dit leek te passen bij de negatieve kijk op de Bijbel die in de negentiende ontstond.

De historisch-kritische school

Tijdens de verlichting in de 18e eeuw ontstond in Duitsland onder lutherse kerkhistorici het historisch-kritische onderzoek.

De 18e eeuw

De Duitse theoloog Johann Salomo Semler (1725–1791) geldt als de vader van de historisch-kritische methode in de theologie. In 1771 pleit hij als eerste voor vrij onderzoek naar de canon.[4] In de plaats van de algemene geldigheid van de Bijbel stelt hij een “religieuze geschiedenis van de mensheid.” De geschriften van de Bijbel zag hij als getuigen van verschillende stadia in die geschiedenis. De selectie van de canon zou toevallig zijn geweest.

Na Semler ging de Duitse deïst Hermann Samuel Reimarus (1694–1768) nog een stap verder. Hij en Gotthold Ephraim Lessing (1729–1781) meenden dat de werkelijke boodschap van het christendom in de tijd van zijn ontstaan niet aan de man te brengen was en daarom was vervalst. Wonderen en andere bovennatuurlijke elementen wezen zij af. Zij verwezen naar het ethische karakter van de religie in plaats van het openbaringsgeloof. In Jezus zou deze ethisch religieuze betekenis vorm gekregen hebben. Een tegenstander van deze rationalistische opvattingen was Johann Melchior Goeze (1717–1786), die vasthield aan de historiciteit van de gebeurtenissen in het Nieuwe Testament.

David Hume (1711–1776) kwam tot de slotsom dat alles wat niet natuurwetenschappelijk te verklaren is in de Bijbel, niet waar kan zijn. In zijn essay On Miracles sluit hij wonderen niet absoluut uit, maar wel stelt hij dat geen enkel getuigenis voldoende is om een wonder te erkennen, tenzij het verzinnen van een bepaald wonder wonderbaarlijker is dan het wonder zelf.

De 19e eeuw

In de 19e eeuw gingen Bijbelwetenschappers de Bijbel bestuderen zoals zij dat met ieder boek deden. Zo ontstonden baanbrekende theorieën die de Bijbelwetenschap tot op vandaag stempelen.

Wat betreft het Oude Testament was het onderzoek naar het ontstaan van de Pentateuch van fundamenteel belang. Wilhelm Martin Leberecht de Wette (1780–1841) en Julius Wellhausen (1844–1918) legden de grondslag voor de theorie dat de eerste boeken van de Bijbel zijn samengesteld uit vier bronnen: de Jahwist, de Elohist, de Deuteronimist en de Priestercodex. In dit onderzoek speelde de Leidse oudtestamenticus Abraham Kuenen (1828–1891) een belangrijke rol. Deze laatste schreef ook een essay, Critical Method, waarin hij de historisch-kritische exegese verdedigde.[5]

Wat betreft het Nieuwe Testament was het onderzoek naar de historische Jezus (Leben Jesu Forschung) van fundamenteel belang. David Friedrich Strauss (1808–1874) verwierp alle bovennatuurlijke en messiaanse elementen uit de evangeliën en verklaarde de goddelijkheid van Jezus als gevolg van een historisch mythologiseringsproces (niet als bewuste manipulatie).[6] Jezus is bij Strauss een persoon, die een boven het christendom uitstijgende oerreligie vertegenwoordigt.[7]

Aan het begin van de 20e eeuw bekritiseerden de nieuwtestamentici Johannes Weiss (1863–1914), Martin Werner en Albert Schweitzer dit onderzoek omdat dit het eschatologische karakter van Jezus’ prediking over het hoofd had gezien. Schweitzer erkende dat de evangeliën niet als historisch betrouwbare bron over het leven van Jezus konden dienen, maar stelde dat dit geen afbreuk deed aan de leer van Jezus, die wel betrouwbaar zou zijn overgeleverd. Schweitzer liet bovendien zien dat in het tot dan verschenen historisch-kritische werk de visie van de auteur en de tijdgeest de uitkomsten van het onderzoek leken te bepalen.

Johannes Weiss en Martin Kähler (1835–1912) plaatsten Jezus’ boodschap in de wereld van Jezus, die voorwetenschappelijk was. Zij maakten een scheiding tussen de oorspronkelijke inhoud van het evangelie en de daaruit voortvloeiende wereldbeschouwelijke inkleding ervan. Hiermee deed het kerygma, de term voor de prediking van en over Jezus, in het historisch-kritische onderzoek zijn intrede. „De werkelijke Christus is de gepredikte Christus", aldus Kähler.[8]

Vormkritiek en redactiekritiek

Vanaf de 20e eeuw

In de loop van de 20e eeuw bleef de historisch-kritische exegese zich ontwikkelen. Zo ontstond de vormkritiek (Formgeschichte) met als grote namen Hermann Gunkel en Rudolf Bultmann. Hierbij wordt de vorm van het verhaal kritisch bestudeerd. De studie van de synoptische evangeliën door Rudolf Bultmann en Martin Dibelius op deze wijze is een bekend en belangrijk voorbeeld. Omdat zij beïnvloed werden door het existentialisme van Martin Heidegger hadden velen in eerste instantie bezwaren tegen deze benadering. Maar toen dit ontegenzeggelijk diep inzicht opleverde in het ontstaan van het Nieuwe Testament bij de eerste christenen en vooral hoe de prediking van Jezus zich heeft ontwikkeld tot de prediking die Jezus verkondigt als de Christus verstomden de bezwaren.

Bultmann vatte de vormkritiek als volgt samen:

Vormkritiek begint met het bewustzijn dat de overlevering die vervat is in de synoptische evangeliën oorspronkelijk bestond uit onderscheiden eenheden, die door de evangelisten in een redactieproces verbonden werden. Vormkritiek houdt zich dus bezig met het onderscheiden van deze overleveringseenheden, en het ontdekken van hun vroegste vorm en oorsprong in het leven van de vroege christelijke gemeenschap. Ze ziet de evangeliën hoofdzakelijk als compilaties van dit oudere materiaal. Maar ze bestudeert ze ook als afgeronde werken, ter bepaling van de literaire activiteit van de evangelisten en de theologische motieven waardoor zij zich lieten leiden.

Hermann Gunkel erkende dat bijvoorbeeld de Pentateuch uit tekstgedeelten van verschillende auteurs samengesteld werd, maar hij keek meer naar het totaalplaatje dat door de afzonderlijke elementen ontstond. Voor hem was belangrijk tot welk genre een bepaald onderdeel behoorde – zoals legende of lofzang – en in welke context de tekst werd gebruikt: binnen de rechtspraak, de liturgie of andere.

Gelijktijdig met de vormkritiek ontwikkelde zich de „redactiekritiek” of Redaktionsgeschichte waarin het redactieproces kritisch wordt bestudeerd. Het doel daarvan is te achterhalen op welk theologisch fundament elke evangelist voortbouwde en wat zijn eigen ideeën waren.

De ontdekking van de Dode Zeerollen gaf een impuls aan het tekstkritisch onderzoek van het Oude Testament. Onder invloed van de linguïstische wending kwam er aandacht voor de literaire werkelijkheid van de tekst, die de nogal eenzijdige historisch-kritische belangstelling voor speculatieve historische reconstructies corrigeerde.

Kerkelijke acceptatie

De historisch-kritische exegese ontstond vooral in een protestantse, lutherse omgeving en was nauw verbonden met de moderne theologie. Tegenwoordig is deze benadering van de Bijbel in de mainstream protestantse kerken geaccepteerd. Maar behoudende christenen verwerpen de historisch-kritische benadering voorzover er sprake is van kritiek op de inhoud en het gezag van de Bijbel („Schriftkritiek”).

De Rooms-Katholieke Kerk heeft de historisch-kritische exegese lang afgewezen. Pas met de dogmatische constitutie Dei Verbum (1965) van het tweede Vaticaanse Concilie werd het vrije onderzoek naar de Bijbel geaccepteerd.

Externe links

The Catholic Encyclopedia (1917)  (en) Biblical Criticism (higher), in: Catholic Encyclopedia, New York, Robert Appleton Company, 1907-1912. (vertaal via: Vertaal via Google translate)

Jewish Encyclopedia 1906  (en) onderkopje ’Beginnings of Higher Criticism’,Bible Exegesis, in: Jewish Encyclopedia, New York: Funk & Wagnalls, 1901-1906. (vertaal via: Vertaal via Google translate)

International Standard Bible Encyclopedia  (en) Criticism of the Bible, (Zie onderkopjes over ’Higher Criticism’), in: ISBE, J. Orr, ed., Chicago, Howard-Severance Company, 1915. (vertaal via: Vertaal via Google translate)


Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen, noten en/of referenties
  1. º Catholic Encyclopedia, Biblical Criticism (higher), zie weblinks
  2. º Thomas van Aquino, Summa Theologiae I,q.1, a.10, ad 1
  3. º (en) Richard Simon, A Critical History of the Old Testament (1682) (Engelse vertaling).
  4. º Johann Salomo Semler, Abhandlung von freier Untersuchung des Canons. 1771.
  5. º A. Kuenen, ’Critical Method’, The Modern Review 1 (1880), pp. 461-488; 685-713.
  6. º David F. Strauß, Das Leben Jesu kritisch bearbeitet. 1839 (uitgave 2003 onder de redactie van Werner Zager).
  7. º Werner Zager (red.), Liberale Exegese des Neuen Testaments: David Friedrich Strauß – William Wrede – Albert Schweitzer – Rudolf Bultmann. 2004.
  8. º Martin Kähler, Der sogenannte historische Jesus und der geschichtliche, biblische Christus. 1891, p. 44.