Wikisage, de vrije encyclopedie van de tweede generatie, is digitaal erfgoed

Wikisage is op 1 na de grootste internet-encyclopedie in het Nederlands. Iedereen kan de hier verzamelde kennis gratis gebruiken, zonder storende advertenties. De Koninklijke Bibliotheek van Nederland heeft Wikisage in 2018 aangemerkt als digitaal erfgoed.

  • Wilt u meehelpen om Wikisage te laten groeien? Maak dan een account aan. U bent van harte welkom. Zie: Portaal:Gebruikers.
  • Bent u blij met Wikisage, of wilt u juist meer? Dan stellen we een bescheiden donatie om de kosten te bestrijden zeer op prijs. Zie: Portaal:Donaties.

Geschiedenis van de joodse kalender

Uit Wikisage
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De geschiedenis van de joodse kalender kan in verschillende periodes worden ingedeeld. In de Bijbelse tijd was de kalender gebaseerd op de observatie van de zon en de maan, later op observatie en berekeningen, en vervolgens volledig op berekeningen.[1]

Geschiedenis

Vóór de Exodus

Het Bijbelverslag geeft te kennen dat vóór de Israëlieten uittrokken uit Egypte, het jaar van herfst tot herfst werd gerekend. Joden gaan er nog steeds van uit dat de schepping van Adam plaatsvond in de herfst.

Ten tijde van de uittocht uit Egypte droeg God in de Thora aan Mosje (Mozes) en Aharon (Aäron) op dat het jaar in de lente diende te beginnen met de maand Abib (of Nisan) (Exodus 12:1-2; Exodus 13:4). In Sjemot (Exodus) 12:1-2 staat: „JHWH zei tegen Mosje en Aharon, terwijl zij nog in Egypte waren: ’Voortaan moet deze maand bij jullie de eerste maand van het jaar zijn.’” Dit had betrekking op de uittocht uit Egypte door de Israëlieten die in de lente plaatsvond. De „redding” (uit Egypte) werd hierdoor op een belangrijkere plaats gesteld dan de schepping. Voor burgerlijke doeleinden en voor de landbouw, bleef ook de van herfst-tot-herfst-kalender in gebruik.

De meeste maandnamen van vóór de Babylonische ballingschap zijn niet meer bekend. De maanden werden meestal met hun rangnummer aangeduid, (vb.: ’de derde maand’.) Van de oude maandnamen zijn enkel nog Abib, Ziv, Ethanim en Bul bekend. Deze namen hebben ook alle betrekking op de jaargetijden. Abib (aviv) betekent, naar men aanneemt, „groene aren”. Ziv komt van „schittering; glans”, omdat in die tijd van het jaar de aarde schitterde van de bloesems;[2] Ethanim betekent waarschijnlijk „voortdurend vloeiende stromen”, en Bul komt van een grondwoord dat „opbrengst; voortbrengsel” betekent.

Een vijfde-eeuwse mozaïek in een synagoge in Israël, waaruit blijkt dat er in die tijd een sterke invloed van het hellenisme bestond. Herkenbaar zijn de symbolen van de dierenriem; de figuur in het midden wordt geïdentificeerd als Helios.[3]

Na de Babylonische gevangenschap

Zoals de Talmoed aangeeft,[4] kwam tijdens de ballingschap in Babylon het gebruik van de Babylonische maandnamen in zwang, die tot op heden in de Joodse kalender worden gebruikt.

In de „mondelinge leer”, die in de Misjna werd opgetekend, werden vier verschillende beginpunten van het nieuwe jaar beschreven. Het bekendste ervan is Rosj Hasjana (het hoofd van het jaar) en begint op 1 tisjri. De overige in de Misjna beschreven nieuwjaarsdagen zijn Toe Bisjvat, het nieuwe jaar van de bomen, op 15 sjevat. Op die dag bloeit de amandelboom in Israël reeds. Het nieuwe jaar voor het brengen van de tienden van het vee, dat begon op 1 eloel, is in onbruik geraakt. Het nieuwe jaar van de koningen en pelgrims begon met de maand nisan. Wanneer een koning begon te regeren, beschouwde men de maanden vóór nisan als zijn troonbestijgingsjaar, en rekende men zijn eerste regeringsjaar vanaf nisan.

Reeds vóór de vernietiging van de tempel (70 n.Chr.) waren bepaalde regels in gebruik. De nieuwe maan kon niet verschijnen voor er 29½ dagen en ⅔ uur waren verlopen. Wanneer de maansikkel niet kon worden geobserveerd, werd besloten dat die maand 30 dagen zou hebben en de volgende maand 29. De volle maanden (30 dagen) per jaar mochten niet minder dan 4 en niet meer dan 8 zijn, zodat een gewoon jaar niet minder dan 352 en niet meer dan 356 dagen kon tellen. Na de vernietiging van de tempel verplaatste Jochanan ben Zakkai het Sanhedrin naar Jabne (Javne). Hij gaf het Sanhedrin de verantwoordelijkheid voor beslissingen in verband met de kalender, die voorheen door de patriarch werden genomen. Personen die de nieuwe maansikkel hadden geobserveerd, kwamen nu direct naar het Sanhedrin.[1]

Signalisatie

Vroeger werd de mededeling dat de nieuwe maand was aangebroken, door vuursignalen vanuit Jeruzalem bekendgemaakt. De signalen waren van heuvel tot heuvel zichtbaar en verspreidden zich snel over het hele land. Nadat anderen, onder wie de Samaritanen, ook vuursignalen begonnen te maken, en hierdoor verwarring ontstond, werd het nodig een andere methode te bedenken. Ook kon men de vuursignalen niet op grote afstand tot in het verre buitenland verderzetten.

Rabbi Juda I schafte daaromde vuursignalen af en ging gebruik maken van speciale boodschappers die de nieuwe maan moesten bekend maken. Zij werden niet elke maand op pad gestuurd, maar slechts zeven keer per jaar, opdat de belangrijkste feesten op de juiste datum zouden vallen: in de maand nisan wegens het Pesach, de maand erop (ijar) voor het Tweede Pesach, Numeri 9:9-11); in de maand av (ab), voor de vastendag als herdenking voor de verwoesting van de tempel, in eloel, wegens de naderende plechtigheden in de maand tisjri, in kislev voor het Chanoeka en in de maand adar voor het Poerim.[5]

De rabbi’s beslisten dat de maand eloel maar 29 dagen zou hebben, waardoor de volgende dag steeds 1 tisjri zou zijn, de dag van het blazen op de sjofar. Indien men in de praktijk de nieuwe maansikkel op 1 tisjri nog niet zag, blies men ook de volgende dag nog op de sjofar.[6]

Standaardisering

In vroegere tijden liet men de maand beginnen „op basis van puur empirische observatie”: de nieuwe-maansikkel moest zichtbaar worden te Jeruzalem. Evenzo voegde men op basis van observatie een schrikkelmaand toe wanneer dit nodig was. „Als … tegen het eind van het jaar werd opgemerkt dat het Pesach vóór de lente-equinox [omstreeks 21 maart] zou vallen, werd er verordend dat er vóór nisan een maand ingelast moest worden.”[7]

Onder de rabbijn Juda III werd de regel dat de nieuwe maansikkel gezien moest worden door twee getuigen, enkel nog een formaliteit. Het vastleggen van de datum gebeurde op basis van berekening.

Onder de regering van keizer Constantius (337-362, gregoriaanse jaartelling) werd de uitoefening van de joodse religie, inclusief het berekenen van de kalender, verboden onder bedreiging van zware straffen. Het Sanhedrin was toen niet in de mogelijkheid om in de lente een schrikkelmaand te laten invoegen, waardoor men uitzonderlijk een schrikkelmaand in de zomer, na de maand av, invoegde.

Onder deze omstandigheden besloot Hillel II in het jaar 4108 (Joodse jaartelling), (358-359 n Chr.) de berekenmethode bekend te maken van de kalender, zodat men niet meer afhankelijk zou zijn van de uitspraak van het Sanhedrin en zodat iedereen ook zonder contact met het Sanhedrin de feestdagen op dezelfde dagen zou kunnen houden. Deze gestandaardiseerde vorm van de kalender was gebaseerd op de cyclus van Meton: in een telkens terugkerende periode van negentien jaar wordt zeven keer een schrikkelmaand toegevoegd. Het nummer van het jaar in deze periode van negentien jaar heet het gulden getal. De jaren met als gulden getal 3, 6, 8, 11, 14, 17 en 19 zijn schrikkeljaren. De schrikkelmaand heeft in de regel 30 dagen (op één na die 29 dagen telt).

In 4681 (920 n. Chr.) deed Aharon ben Meir van Palestina een voorstel voor een kalenderherziening om een paar inconsequenties op te lossen, maar Saadia ben Jozef van Babylon (Saadia Gaon) verschilde hierover van mening met hem. Het voorstel van Aharon ben Meir werd afgewezen. De huidige rabbijns-joodse kalender is daarom praktisch nog hetzelfde als het systeem dat door Hillel II werd ingevoerd. Rabbijnse joden gaan ervan uit dat dit de laatste kalenderhervorming was voor de komst van de Messias.

Maimonides (Rambam) schreef hoe eenvoudig hij het systeem van deze kalender wel vond: „zelfs gewone schoolkinderen zijn er in een paar dagen mee weg”.[8]

Weerstand

In de achtste eeuw organiseerde Anan ben David Hanassi diegenen die zich tegen de regels van het rabbinaat verzetten. Hij probeerde het kalifaat ertoe aan te zetten dat zij de joden die de rabbi’s niet volgden, eveneens als „mensen van het boek” zouden erkennen. De groepen van zijn volgelingen en anderen die de Talmoed niet volgden verenigden zich later en zouden bekend komen te staan als karaïtische joden. Zij volgden de rabbijnse versie van de joodse berekende kalender niet.

Heden

Vandaag de dag begint het jaar met de maand tisjri (de zevende maand volgens de Thora).

Hedendaagse Israëlische kalenders bevatten gewoonlijk de herfst-tot-herfst-kalender. Er zijn vele dubbele kalenders in omloop: ofwel de gregoriaanse kalender met de joodse maanden in het klein aangegeven, ofwel de joodse kalender met de data van de gregoriaanse kalender.

Zie ook

Bronnen, noten en/of referenties

Weblinks

Jewish Encyclopedia 1906  (en) Calendar, History of, in: Jewish Encyclopedia, New York: Funk & Wagnalls, 1901-1906. (vertaal via: Vertaal via Google translate)

The Catholic Encyclopedia (1917)  (en) Jewish Calendar, in: Catholic Encyclopedia, New York, Robert Appleton Company, 1907-1912. (vertaal via: Vertaal via Google translate)


Verwijzingen en noten
  1. 1,0 1,1 Jewish Encyclopedia
  2. º Commentaar op 1 Koningen 6:1 in de Soncino Books of the Bible, onder redactie van A. Cohen, Londen, 1950.
  3. º Walter Zanger in: Biblical Archaeology Review, Jewish Worship, Pagan Symbols
  4. º Talmoed (Jeroesjalmi), Rosj hasjanah i. 1
  5. º Alfred Edersheim, The Temple: Its Ministry and Services, p. 156-157.
  6. º Alfred Edersheim, The Temple: Its Ministry and Services, p. 157-158.
  7. º Emil Schürer, The History of the Jewish People in the Age of Jesus Christ, Volume 1, 1973, p. 590.
  8. º Mozes ben Maimon (Maimonides), Hilchot Kiddoesj Hachodesj 11.4. Citaat:
    אפילו תינוקות של בית רבן מגיעין עד סופו בשלושה וארבעה ימים